Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Rechtsvorm onderneming
van artikel 67f Awr
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het beroep in de zaken met nummers BRE 19/6368, BRE 19/6369, BRE 20/5921, BRE 21/524 en BRE 21/525 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaken met nummers BRE 19/6370, BRE 19/6371 en BRE 19/6372 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 1 december tot en met 31 december 2015 (BRE 19/6371), en 1 december tot en met 31 december 2016 (BRE 19/6372), de vergrijpboeten (BRE 19/6370, BRE 19/6371 en BRE 19/6372) en de proceskostenvergoeding (BRE 19/6370, BRE 19/6371 en BRE 19/6372);
- vermindert de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 1 december tot en met 31 december 2015 (BRE 19/6371), en 1 december tot en met 31 december 2016 (BRE 19/6372), tot op respectievelijk € 1.596 en € 1.105;
- vermindert de beschikkingen belastingrente die gelijktijdig bij de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 1 december tot en met 31 december 2015 (BRE 19/6371), en 1 december tot en met 31 december 2016 (BRE 19/6372), zijn gegeven dienovereenkomstig;
- vernietigt de vergrijpboeten (BRE 19/6370, BRE 19/6371 en BRE 19/6372);
- beslist dat, voor zover de thans vernietigde vergrijpboeten zijn betaald, de wettelijke rente is verschuldigd over de termijn tussen de betaling en de terugbetaling (BRE 19/6370, BRE 19/6371 en BRE 19/6372);
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in bezwaar van belanghebbende tot een bedrag van € 538;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 aan deze vergoedt; en
- beslist dat, voor zover de proceskostenvergoeding of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: