Belanghebbende stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, de uitspraak op bezwaar zelf en verzocht om een dwangsom.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat de inspecteur inmiddels uitspraak op bezwaar had gedaan. Wel werd vastgesteld dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schond door niet in te gaan op het vertrouwensbeginsel, maar dit gebrek werd gepasseerd wegens gebrek aan nadere motivering.
De aanslag werd niet verder verminderd dan reeds door de inspecteur was gedaan via een verminderingsbeschikking. De rechtbank kende een dwangsom van €497 toe wegens de overschrijding van de beslistermijn, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 december 2021.
Daarnaast werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase. Ook werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend. Het beroep tegen de dwangsombeschikking werd ongegrond verklaard.