Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Dienst Toeslagen op haar aanvraag tot aanvullende compensatie voor werkelijke schade, ingediend op 2 mei 2022. De rechtbank had eerder bij uitspraak van 14 mei 2024 bepaald dat verweerder binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit moest nemen. Verweerder heeft echter niet binnen die termijn besloten.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. De rechtbank wijst een dwangsom toe van €250 per dag met een maximum van €37.500,-, conform het landelijke beleid. Verweerder had verzocht om een lagere dwangsom, maar dit verzoek wordt afgewezen.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van €51,- en een proceskostenvergoeding van €437,50 aan eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding om, anders dan de rechtbank Midden-Nederland, een lagere wegingsfactor toe te passen voor de proceskostenvergoeding. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.