De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 mei 2025 uitspraak gedaan in meervoudige belastingzaken betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2014 tot en met 2017, opgelegd aan belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een houdstermaatschappij die diverse vakantieparken exploiteert.
De inspecteur had aanzienlijke navorderingsaanslagen opgelegd wegens niet aangegeven winstuitdelingen (box 2), gebaseerd op zwartgehouden omzet door manipulatie van het reserveringssysteem en contante betalingen die direct aan belanghebbende werden toegebracht. Tevens waren vergrijpboeten van 100% opgelegd wegens opzet en listigheid. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de aanslagen niet tijdig waren opgelegd, dat de inspecteur zijn bevoegdheden had misbruikt, en dat het verdedigingsbeginsel was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslag 2014 niet tijdig was opgelegd en vernietigde deze inclusief boete en belastingrente. De aanslag 2015 was wel tijdig opgelegd, maar werd verminderd wegens onjuiste verrekening van dividendbelasting. Voor de jaren 2015-2017 achtte de rechtbank aannemelijk dat sprake was van winstuitdelingen die niet waren aangegeven en dat belanghebbende te kwader trouw was, waardoor navordering geoorloofd was en de bewijslast mocht worden omgekeerd en verzwaard.
De rechtbank matigde de vergrijpboeten vanwege overschrijding van de redelijke termijn en het meervoudig beboeten van hetzelfde feitencomplex, waarbij de boeten werden verlaagd tot €40.000 per jaar. Tevens kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe wegens de overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.