ECLI:NL:RBZWB:2025:6786

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
8 oktober 2025
Zaaknummer
11489302 CV EXPL 25-249 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Rouwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia door vergunningplichtige advisering effectenlease

In deze civiele bodemzaak staat een effectenleaseovereenkomst centraal die tussen 1990 en 2003 veelvuldig is verkocht. De afnemer, [leasenemer], sloot de overeenkomst via een tussenpersoon die niet beschikte over de vereiste vergunning voor beleggingsadvies. Dexia, als wederpartij, stelde dat zij niets meer verschuldigd was en vorderde betaling van een restschuld. [leasenemer] stelde daartegen dat Dexia onrechtmatig had gehandeld door het accepteren van een cliënt die persoonlijk was geadviseerd door een niet-vergunde tussenpersoon en vorderde vernietiging van de restschuld en schadevergoeding.

De rechtbank overwoog dat Dexia haar bijzondere zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, had geschonden en daardoor onrechtmatig had gehandeld. Er was voldoende causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade van [leasenemer]. De advisering door de tussenpersoon werd als vergunningplichtig aangemerkt en Dexia had moeten weten dat er sprake was van persoonlijk advies. Dexia had onvoldoende concreet betwist en bewijs geleverd om dit te weerleggen.

De vorderingen van Dexia werden afgewezen. De rechtbank verklaarde voor recht dat Dexia onrechtmatig had gehandeld en dat [leasenemer] de restschuld niet verschuldigd was. Dexia werd veroordeeld tot betaling van de schade vermeerderd met wettelijke rente en de proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens [leasenemer] en moet schadevergoeding betalen en de restschuld wordt vernietigd.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11489302 CV EXPL 25-249
vonnis van de kantonrechter van 3 september 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen
[leasenemer] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.
Partijen worden hierna Dexia en [leasenemer] genoemd.

1.1. De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 13 december 2024;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens houdende een akte voorwaardelijke wijziging van eis;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
1.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2.2. De feiten

2.1.
[leasenemer] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer 1]
26-7-2001
Capital Effect Maandbetaling 20 jaar
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
18-9-2006
- € 2.168,86
Nee
2.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [leasenemer] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 3.785,30 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [leasenemer] € 500,59 aan dividenden ontvangen en € 204,93 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft € 225,26 aan dividenden verrekend.
2.4.
Dexia heeft op enig moment [leasenemer] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen.

3.De vordering en het verweer in conventie en in reconventie

3.1.
Dexia vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[leasenemer] zal veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente,
zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [leasenemer] verschuldigd is,
[leasenemer] zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[leasenemer] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering waarbij [leasenemer] vordert samengevat dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [leasenemer] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
  • voor recht zal verklaren dat [leasenemer] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
  • te vernietigen het beding/de bedingen op basis waarvan Dexia resterende termijnen in rekening bracht op de eindafrekening van de overeenkomst en te verklaren voor recht dat [leasenemer] dit bedrag van € 1.824,75 niet verschuldigd is,
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [leasenemer] van al datgene dat [leasenemer] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4.4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie

algemeen4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [leasenemer] .
4.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[leasenemer] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
de verklaring voor recht en afwachten van ontwikkelingen in de jurisprudentie
4.4.
Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [leasenemer] verschuldigd.
4.5.
[leasenemer] meent nog een vordering op Dexia te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR Pro 1999 of artikel 25 NR Pro 1995. Verder stelt [leasenemer] dat Dexia nog een vergoeding dient te betalen in verband met in rekening gebrachte resterende termijnen.
4.6.
In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [leasenemer] zich erop beroept dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt zij daarin niet gevolgd.
tussenpersoon
4.7.
[leasenemer] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [tussenpersoon] . Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
4.8.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [leasenemer] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [leasenemer] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [leasenemer] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [leasenemer] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [leasenemer] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
4.9.
[leasenemer] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“(…) In deze zaak gaat het om [leasenemer] die — op advies van een financieel adviseur van [tussenpersoon] — twee Capital Effect overeenkomsten van Bank Labouchere heeft afgesloten. Overeenkomst [nummer 2] is niet in het geding, maar wel van belang voor de totstandkoming van overeenkomst [nummer 1] . Om deze reden wordt overeenkomst [nummer 2] ook besproken. (…) [leasenemer] is via-via in contact gekomen met een medewerker van [tussenpersoon] . De medewerker van [tussenpersoon] stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [leasenemer] door te nemen met een financieel adviseur van [tussenpersoon] . [leasenemer] heeft hiermee ingestemd. Vervolgens is er een adviseur, te weten de heer [adviseur] (hierna: ‘adviseur’), meerdere keren op huisbezoek bij [leasenemer] geweest. Bij deze huisbezoeken was naast [leasenemer] ook wijlen de heer Zantvliet, de echtgenoot van [leasenemer] , aanwezig.
Capital Effect overeenkomst uit 2000 (overeenkomstnummer [nummer 2] ) (…)
Tijdens het eerste huisbezoek heeft de adviseur van [tussenpersoon] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [leasenemer] en haar echtgenoot. Zo is met de adviseur gesproken over het gegeven dat zij samen een kinderboerderij onderhielden. Daarnaast had [leasenemer] zelf geen inkomen en ontving haar echtgenoot een WAO uitkering. Verder is met de adviseur gesproken over de wens van [leasenemer] om een voorziening te treffen ter aanvulling van haar pensioen nu dit zeer beperkt was. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde om een Capital Effect overeenkomst af te sluiten. (…)
[leasenemer] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [leasenemer] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Capital Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.
Capital Effect overeenkomst uit 2001 (overeenkomstnummer [nummer 1] ) (…)
Dezelfde adviseur is een jaar na het afsluiten van de eerste Capital Effect overeenkomst opnieuw bij [leasenemer] op huisbezoek geweest. De financiële situatie en wensen zijn opnieuw doorgenomen. [leasenemer] gaf aan nog dezelfde wens te hebben om haar pensioen aan te rul1en. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om die doelstelling te bereiken en adviseerde om nog een Capital Effect overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 150,-. Op deze wijze zou [leasenemer] nog meer vermogen opbouwen ter aanvulling van haar pensioen. (…) [leasenemer] had nog steeds geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [leasenemer] het advies van de adviseur opgevolgd en een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 152,25 (…). De aanvraag voor het tweede Capital Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. De adviseur heeft [leasenemer] nooit geïnformeerd over de specifieke risico’s van de overeenkomsten. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [leasenemer] op deze risico’s gewezen was had zij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten. (…)”.
4.10.
[leasenemer] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van het aanvraagformulier op naam van [leasenemer] , waarop [tussenpersoon] als kantoor, [adviseur] als adviseur en ATP-nummer [kenmerk] is ingevuld,
- een kopie van de overeenkomst van 26 juli 2001 met contractnummer [nummer 1] , voorzien van het adviseursnummer:
[kenmerk] - [tussenpersoon],
- screenshot van de website van [tussenpersoon] , waarin wordt verwezen naar het gebruik van een persoonlijk financieel plan,
- een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van [tussenpersoon] , waarop vermeld staat:
“ [adviseur] Adviseur (…)”.
4.11.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [leasenemer] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [leasenemer] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dit geldt ook voor de door haar overgelegde verklaring van de oud-medewerker van de tussenpersoon. Dexia had meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds met betrekking tot [leasenemer] geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [leasenemer] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. [3] Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [leasenemer] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
4.12.
[leasenemer] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [leasenemer] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. [4] Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [leasenemer] , had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [leasenemer] , actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [leasenemer] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [leasenemer] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia4.13. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [leasenemer] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [leasenemer] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [leasenemer] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [leasenemer]4.14. De door [leasenemer] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [leasenemer] heeft gehandeld door [leasenemer] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [leasenemer] niet alleen als klant aanbracht maar [leasenemer] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.
4.15.
De als gevolg hiervan door [leasenemer] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [leasenemer] niet betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
4.16.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [leasenemer] aangevoerde gronden, zoals het beroep op een oneerlijk beding, geen nadere bespreking.
vorderingen Dexia
4.17.
Gelet op de beoordeling in reconventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
4.18.
Omdat [leasenemer] in reconventie inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [leasenemer] gevallen. Omdat het partijdebat in conventie is samengevallen met het debat in reconventie worden de kosten in conventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [leasenemer] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 542,00 (2,0 x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 677,00.

5.Beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [leasenemer] gevallen, tot op heden begroot op nihil,
in reconventie
5.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [leasenemer] heeft gehandeld door [leasenemer] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [leasenemer] niet alleen als klant aanbracht maar [leasenemer] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.4.
verklaart voor recht dat [leasenemer] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
5.5.
veroordeelt Dexia om aan [leasenemer] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.15.,
5.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
5.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mr. Rouwen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
3.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
4.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.