4.2.In het rapport van 11 maart 2025 heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat er geen medische redenen zijn om terug te komen op de WAO-beslissing van 22 april 2005. De rapportage van 5 april 2005 lezend kan de verzekeringsarts b&b volgen dat de primaire verzekeringsarts in 2005 de beoordeling volgens de destijds geldende regels heeft uitgevoerd en er dus geen foutieve besluiten zijn genomen ten aanzien van de beperkingen. Verder blijkt uit de opgevraagde gegevens van de huisarts dat er geen nieuwe ontwikkelingen zijn ten aanzien van de ervaren energetische en cognitieve klachten van eiseres. Er is dus geen sprake van nova.
Er zijn uitgebreide beperkingen aangenomen in de FML van 5 april 2005 in de rubrieken 1, 2, 3, 4, en 6, die aannemelijk zijn in verband met de ervaren belemmeringen en de objectieve afwijkingen bij primair psychisch en lichamelijk onderzoek. Al deze aangenomen beperkingen garanderen een lichte mentale en fysieke aangepaste functie, zodat een mentale en fysieke overbelasting wordt voorkomen. Bij zo een lichte aangepaste functie is een (verregaande) urenbeperking niet plausibel, volgens de verzekeringsgeneeskundige Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (Standaard Duurbelasting).
In reactie op de bezwaargronden heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat de huidige ervaren klachten en belemmeringen niet kunnen worden meegenomen bij de bepaling van de belastbaarheid op een datum in geding die 20 jaar eerder is. De verzekeringsarts b&b ziet niet in welke medische informatie nog meer bij de beoordeling had moeten worden betrokken. De datum in geding is in 2005 en de gegevens van de huisarts zijn relevant om te zien of er in de daaropvolgende jaren sprake van nova is geweest. Afgaand op de gegevens van 2005 is verzekeringsgeneeskundig correct gehandeld en afgaand op de huisartsgegevens is er geen sprake van nova geweest. Verder overweegt de verzekeringsarts b&b dat zeker sprake is van de door de WHO erkende diagnose CVS/ME (myalgische encephalomyelitis), maar dat deze diagnose een aandoening betreft met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten. Medisch gezien worden bij alle onderzoeken namelijk geen lichamelijke afwijkingen gevonden (objectief), hetgeen ook het geval is bij eiseres. Bovendien was er bij een internist in 1998 ook nog twijfel over de diagnose CVS/ME. De Medisch Arbeidsongeschiktheid Criterium (MAOC) stelt dat rekening gehouden moet worden met de (subjectief) ervaren klachten van een cliënt, ongeacht de diagnose. Volgens de WAO is de zwaarte van een aangenomen beperking echter wel afhankelijk van de medische objectiveerbaarheid van een ziekte. In verband met deze schijnbare tegenstelling kan een door een verzekeringsarts aangenomen beperking op basis hiervan soms niet overeenkomen met wat een cliënt ervaart, maar dit betekent niet dat verzekeringsarts de aandoening niet als ziekte ziet en daardoor ook niet dat de aangenomen beperkingen verkeerd zijn. Integendeel zelfs, want de verzekeringsarts dient ook rekening te houden met objectiveerbare bewijzen voor de zwaarte van ervaren belemmering.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldige en onjuiste herbeoordeling, omdat de verzekeringsarts b&b niet is ingegaan op alle in bezwaar aangevoerde argumenten. Ook is niet gebleken dat er een correcte inhoudelijke herbeoordeling heeft plaatsgevonden, noch tijdens de herbeoordeling door de primaire verzekeringsarts, noch bij de beoordeling in bezwaar door de verzekeringsarts b&b. De primaire verzekeringsarts bleek blijkens zijn rapportage namelijk alleen te beschikken over het medisch onderzoeksverslag van 5 april 2005 dat hij had verkregen van eiseres zelf. Uit de rapportage van verzekeringsarts b&b blijkt dat hij de in bezwaar ingebrachte (medische) informatie, waaronder de eigen stukken van het UWV, niet heeft meegewogen in zijn beoordeling. Bij punt 6 van de rapportage “Heroverweging” is zelfs aangegeven dat het gaat om een weigering WAO in 2005. Dat klopt helemaal niet, eiseres had namelijk vanaf 21 september 1998 een WAO-uitkering waarbij ze volledig arbeidsongeschikt was geacht. Nu niet de verwachting bestaat dat er in beroep een ander oordeel zal volgen gezien de standvastigheid van het UWV, verzoekt eiseres de rechtbank om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige.
Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat haar WAO-uitkering vanaf 20 juni 2005 voortgezet moet worden. Eiseres is vanaf 21 september 1998 volledig arbeidsongeschikt geacht in de zin van de WAO, zonder duurzaam benutbare mogelijkheden. Er was toen al sprake van chronische vermoeidheidsklachten. De wijzigingen in het aangepaste Schattingsbesluit per 1 oktober 2004 betreffen alleen de arbeidskundige beoordeling, zodat 3 functies met minimaal 3 arbeidsplaatsen voldoende is in plaats van 3 functies met minimaal 10 arbeidsplaatsen. Aan de medische beoordeling werden geen andere eisen gesteld. Naar aanleiding van het aangepaste Schattingsbesluit is een herbeoordeling verricht. Eiseres was vanaf 20 september 1997, dus bijna 8 jaar ziek en had bijna 7 jaar een volledige WAO-uitkering toen zij opeens, per 20 juni 2005, in staat werd geacht 40 uur per week te werken. Dit, terwijl er medisch gezien absoluut geen sprake was van een verbetering en het UWV daarvoor steeds van oordeel was dat er geen benutbare mogelijkheden waren. Blijkens de rapportage van 5 april 2005 lijkt het erop dat de primaire verzekeringsarts destijds van mening was dat er bij CVS/ME na aanpassing van het Schattingsbesluit minder beperkingen aangenomen mochten worden. Dit terwijl er vanaf het begin van de ziekte van eiseres sprake is van een consistente presentatie van klachten en beperkingen. Op basis daarvan had geconcludeerd moeten worden dat er sprake was van meer beperkingen, waaronder een grote urenbeperking. In het bezwaarschrift van eiseres van 28 mei 2005 is zeer uitgebreid de situatie van eiseres van destijds verwoord. Zowel uit de medische informatie als uit de consistente dagverhalen van eiseres, blijkt dat zij tot vrijwel niets in staat is gezien haar vermoeidheidsklachten en zij een enorm grote slaapbehoefte heeft van 13 tot 14 uur per dag.
Uit de rapportage van de bezwaar-verzekeringsarts van 25 oktober 2005 blijkt heel duidelijk dat men toen van mening was dat het aangepaste Schattingsbesluit toch een andere medische beoordeling vergde dan eerder het geval was. Daarin staat namelijk onder meer dat slechts beperkingen mogen worden aangenomen die rechtstreeks en onherroepelijk voortvloeien uit geobjectiveerde ziekten en gebreken. De klachten en verschijnselen die eiseres ondervindt worden geclassificeerd onder de noemer CVS. Dit houdt in dat er géén afdoende medische verklaring kan worden gegeven voor de verschijnselen die eiseres belemmeren in haar functioneren. Bovendien is vermeld dat eiseres door haar gedrag naar aanleiding van haar klachten slechts tot marginale inspanningen komt waardoor het inactiviteitsgedrag wordt geconditioneerd wat nadelige gevolgen zou hebben voor haar lichamelijke en mentale conditie. Hier valt de vergelijking te trekken met hetgeen nu gaande is inzake de lastig grijpbare ziekte long-covid.
De moties [Tweede Kamerlid 2] zijn aangenomen omdat gebleken is dat na dergelijke herbeoordelingen ongeveer 80% van de CVS/ME-patiënten hun WAO-uitkering geheel of gedeeltelijk verliest. De eerste motie [Tweede Kamerlid 2] is ingediend omdat geconstateerd is dat in de keuringspraktijk verschillende opvattingen over CVS/ME een rol spelen. De tweede motie [Tweede Kamerlid 2] is aangenomen op 1 juli 2005 omdat de eerdere motie nog niet had geleid tot een keuringspraktijk voor mensen met CVS/ME die in overeenstemming is met de bestaande regels. Aangegeven is dat rekening moet worden gehouden met alle beperkingen van mensen met CVS/ME en dat alle argumenten die daarmee strijdig zijn als oneigenlijk moeten worden bestempeld. Eiseres heeft om een herbeoordeling gevraagd op grond van deze twee moties [Tweede Kamerlid 2] . De moties [Tweede Kamerlid 2] zijn namelijk bedoeld voor een situatie als die van eiseres waarin het duidelijk is dat onder andere de vermoeidheidsklachten niet of niet volledig zijn erkend doordat er bij rubriek 6 in de FML wordt uitgegaan van 8 uur per dag en 40 uur per week kunnen werken.
Eiseres heeft verder aangevoerd dat uit de rapportage van september 2006 van Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid blijkt dat er wel, anders dan de primaire verzekeringsarts heeft gesteld, in maart 2006 een instructie is geweest in welke gevallen de arbeidsongeschiktheid opnieuw moet worden beoordeeld. Eiseres is primair van mening dat de beoordeling door de primaire verzekeringsarts onjuist is. De verzamelde gegevens lijken namelijk niet of nauwelijks de getrokken conclusie te kunnen rechtvaardigen. Subsidiair stelt eiseres dat er sprake is van een onvoldoende motivering, omdat er sprake is van een discrepantie tussen de vastgelegde gegevens en de conclusie, die niet in de motivering wordt overbrugd. Ook het Verzekeringsgeneeskundig protocol CVS lijkt niet te zijn toegepast. Bij het bepalen van de functionele mogelijkheden in werk zijn deze onvoldoende gewogen in relatie tot andere domeinen van functioneren en participeren. Bij het vaststellen van de mogelijkheden tot functioneren en participeren dient het niveau van functioneren te worden beoordeeld op microniveau, mesoniveau en macroniveau. Aandachtspunten bij de medische beoordeling van mogelijkheden tot functioneren en participeren zijn: cognitief en fysiek functioneren, invloed van externe prikkels, de aanwezigheid van chronische pijnklachten, reactie op en herstel na fysieke en/of cognitieve inspanning, de (mogelijke) duur van de belasting en de duur en frequenties van eventuele noodzakelijke rustpauzes, een wisselend beloop en gedrags- en fysieke comorbide factoren (en de adequate behandeling hiervan). Een uitvraag hiernaar en beoordeling hiervan is niet of onvoldoende gedaan.
De verzekeringsarts b&b is niet ingegaan op de opmerkingen dat de primaire verzekeringsarts zich alleen heeft gebaseerd op de rapportage van 5 april 2005 en wat specialisten hebben geschreven in de periode van 2011 tot en met 2021. Althans, heeft zelf ook geen inhoudelijke medische beoordeling gedaan waarbij de medische stukken die in
bezwaar zijn ingebracht, alsmede het dossier van het UWV zelf, meegewogen zijn.
Eiseres heeft wel geprobeerd te werken, maar zelfs 4 uur per week werken bleek te zwaar te zijn. Ook uit de latere medische informatie blijkt dat de beperkingen van eiseres nog steeds hetzelfde zijn en dat er in 2015 een traject is gestart bij de Polikliniek Medisch Specialistische Revalidatie, dat helaas ook geen effect heeft gehad.
Medische rapportage in beroep van verzekeringsarts b&b
6. In reactie op de beroepsgronden heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat er wel degelijk is ingegaan op de bezwaargronden en dat alle in bezwaar aangeleverde stukken wel zijn meegenomen in de herbeoordeling in bezwaar. Daarin was echter geen medische informatie ten aanzien van de datum in geding opgenomen die nog niet bekend was bij de primaire beoordeling. De verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) heeft zorgvuldigheid betracht, tevens bewezen door het opvragen van medische gegevens bij de huisarts. Op basis van de primaire rapportage uit 2005 is er geen sprake van geen benutbare mogelijkheden op basis van de uitzonderingscriteria genoemd in het Schattingsbesluit. Volgens de Standaard Duurbelastbaarheid moet er een te objectiveren oorzaak zijn voor een energetische stoornis, hetgeen in het geval van CVS niet het geval is. Er is immers sprake van aanhoudende lichamelijke klachten waarbij geen somatische of psychische oorzaak gevonden is bij eiseres. Dit geldt tevens voor de overige beperkingen. Over de stelling van eiseres dat de primaire verzekeringsarts er onterecht van uit is gegaan dat er naar aanleiding van de moties [Tweede Kamerlid 2] geen aanvullende instructies zouden zijn, heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat er hoe dan ook geen sprake is van nieuwe feiten en of omstandigheden waaruit geconcludeerd kan worden dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag voor de beëindiging van de WAO-uitkering onjuist is geweest. Ook in beroep is geen medische informatie aangeleverd die nog niet bekend was bij de primaire beoordeling. De ingebrachte stukken en medische informatie vormen geen aanleiding tot aanpassing van het eerdere oordeel in bezwaar.
Reactie eiseres op medische rapportage in beroep
7. In reactie op voorgenoemde medische rapportage geeft eiseres aan dat het er sterk op lijkt dat de verzekeringsarts b&b haar gewoonweg niet gelooft en daardoor bevooroordeeld is bij de beoordeling van deze kwestie en daarbij alleen de dingen uit de medische informatie naar voren haalt die diens oordeel bevestigen. Eiseres meent juist dat er sprake is van een consistent verhaal, zowel van haarzelf als wat blijkt uit de medische
informatie. En dat zij het slachtoffer is geworden van een nieuwe behandelwijze van het UWV in 2005. Mede daarom is de rechtbank reeds verzocht om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige. In dit kader verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025. Nu aan de in deze uitspraak genoemde elementen wordt voldaan, dienen de eerdere, zwaardere beperkingen, waaronder de urenbeperking, gehandhaafd te worden door het UWV. Verder verwijst eiseres naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 juli 2025. Nu sprake is van een vergelijkbare kwestie, dienen de inzichten uit deze uitspraken ook in haar situatie te worden toegepast. De eerder bij haar vastgestelde beperkingen dienen dan ook gehandhaafd te blijven nu er nadien geen verbetering is opgetreden en er sprake is van reëel ervaren beperkingen en een consistent verhaal van eiseres en behandelaars. Verder is er op 19 september 2025 een onderzoek gestart naar de beoordeling door het UWV van mensen met CVS/ME. Het onderzoek richt zich op de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. Een dergelijk onderzoek duidt er ook op dat de beoordeling bij CVS/ME in veel gevallen niet correct is geweest. Zoals ook het geval is bij eiseres. Op 1 oktober 2025 heeft UWV een intern bericht opgesteld naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB over CVS/ME. Hierin zijn uitdrukkelijke handvatten vermeld voor de beoordeling. Het UWV heeft bij de beoordeling niet voldaan aan de in de jurisprudentie geschetste kaders en ook niet aan de handvatten van het UWV zelf.
8. In het verweerschrift overweegt het UWV dat eiseres miskent dat het hier gaat om een verzoek om terug te komen van een vaststaande beslissing. De centrale vraag in deze zaak is of er sprake is van nova. De verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) heeft geoordeeld dat de aangeleverde stukken niet kunnen worden beschouwd als nieuwe feiten of omstandigheden. De thans aangeleverde informatie onderschrijft de medische situatie van eiseres op de oorspronkelijke beoordelingsdatum in 2005. Ook uit de door de verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) opgevraagde informatie bij de huisarts is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. De verzekeringsarts b&b kwam tot hetzelfde oordeel. De CRvB heeft eerder geoordeeld dat het UWV in gevallen als deze niet gehouden is een toetsing te verrichten als betrof het een oorspronkelijk besluit.
Naar aanleiding van de motie [Tweede Kamerlid 2] zijn de verzekeringsartsen van het UWV nader geïnstrueerd en is de interne instructie ‘Incidentele Mededeling AW van 27 maart 2006 over CVS/ME’ (Incidentele Mededeling) opgesteld. Wanneer een belanghebbende daarom verzoekt, moet een verzekeringsarts aan de hand van deze instructie beoordelen of er bij de oorspronkelijke beoordeling sprake is geweest van een handelwijze/beoordeling die onmiskenbaar in strijd is met wettelijke regels, beleidsregels of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Enkel wanneer inderdaad wordt vastgesteld dat er sprake is een ‘fout’, kan eventueel worden toegekomen aan een inhoudelijke herbeoordeling. De verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) heeft geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts in 2005 de beoordeling volgens de destijds geldende regels heeft uitgevoerd. Er is geen sprake is van een ‘fout’. Er zijn geen oneigenlijke argumenten vastgesteld zoals in de motie [Tweede Kamerlid 2] bedoeld. De verzekeringsartsbeoordeling heeft plaatsgevonden op de juiste verzekeringsgeneeskundige grondslag. De primaire verzekeringsarts was in 2005 bekend met de diagnose CVS en de daaruit voortvloeiende klachten en heeft daarvoor beperkingen aangenomen in de opgestelde FML. De verzekeringsarts b&b heeft nader gemotiveerd waarom er in dit geval geen sprake is van een fout. Ook hij concludeert op basis van de thans aangeleverde informatie dat de vermoeidheidsklachten in 2005 voldoende zijn onderkend in de opgestelde FML. Het UWV heeft dus terecht terughoudend getoetst. De huidige beoordeling omvat enkel het destijds verrichtte onderzoek en behandeling. Daarbij moet het gaan om een strikt individuele beoordeling. Deze wijze van beoordelen is tevens bevestigd in bestendige jurisprudentie.
Het UWV concludeert dat er in dit geval geen sprake is van een novum en ook niet van een fout als bedoeld in de betreffende motie. Aan een inhoudelijke heroverweging van de destijds in 2005 aangenomen beperkingen wordt dan ook niet toegekomen.
Indien de rechtbank toch tot het oordeel komt dat hier wel sprake is van nova en/of een fout van de primaire verzekeringsarts, dan ziet het UWV onvoldoende toegevoegde waarde in het inschakelen van een onafhankelijk deskundige. Niet valt in te zien wat een medisch onderzoek - ruim twintig jaar na de datum in geding - nog kan toevoegen aan het huidige dossier.
9. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat niet in geschil is dat geen sprake is van nova.
Het geschil beperkt zich tot de vraag of op basis van de moties [Tweede Kamerlid 2] moet worden teruggekomen op het besluit van 22 april 2005.
Vormen de moties [Tweede Kamerlid 2] aanleiding om de beëindiging van de WAO-uitkering te herzien?
10. De op 19 april 2005 aangenomen [Tweede Kamerlid 2] houdt in dat voor alle verzekeringsartsen en anders professioneel betrokkenen volledig duidelijk moet zijn dat CVS/ME een officieel erkende aandoening is, die als zodanig dient te worden bezien bij de (her)keuring voor de WAO en dat cliënten met deze aandoening strikt individueel beoordeeld dienen te worden.
De op 1 juli 2005 aangenomen motie [Tweede Kamerlid 2] houdt in dat bij de keuring volledig rekening gehouden moet worden met alle beperkingen van mensen met ME/CVS en dat alle argumenten die hiermee strijdig zijn, oneigenlijk zijn. Hierbij is verzocht om alle herkeurde mensen met ME/CVS die met deze oneigenlijke argumenten zijn geconfronteerd en zelf graag een nieuwe keuring bij het UWV wensen, daartoe de mogelijkheid te geven.