Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2357

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/2343 WAO
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over weigering herziening intrekking WAO-uitkering bij CVS

Deze tussenuitspraak betreft het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om niet terug te komen op de intrekking van haar WAO-uitkering per 20 juni 2005. Eiseres lijdt aan het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) en stelt dat de herbeoordeling in 2005 onzorgvuldig en onjuist is uitgevoerd, mede vanwege het niet toepassen van de moties van de Tweede Kamer die erkenning van CVS als ziekte beogen.

De rechtbank analyseert de medische rapportages van de primaire verzekeringsarts en de bezwaar-verzekeringsarts, die concluderen dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) zijn en dat de oorspronkelijke beoordeling volgens de destijds geldende regels is uitgevoerd. Eiseres betwist dit en vraagt om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige.

De rechtbank constateert dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet terugkomt op het besluit, met name omdat de verzekeringsartsen niet expliciet hebben getoetst aan de interne instructie (Incidentele Mededeling) die voortvloeit uit de moties. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek.

De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid dit gebrek binnen acht weken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak. De uitspraak is gedaan door rechter M. Snoeks op 30 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid het motiveringsgebrek in het besluit tot weigering herziening WAO-uitkering binnen acht weken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2343 WAO

tussenuitspraak van 30 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. G.B.A. Bol),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de weigering om terug te komen op de intrekking van de uitkering van eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV op goede gronden heeft geweigerd de intrekking van de WAO-uitkering te herzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het UWV het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank stelt het UWV in de gelegenheid dit gebrek binnen acht weken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres is werkzaam geweest als fotolaborante. Voor dat werk is zij op 20 september 1997 uitgevallen vanwege extreme vermoeidheidsklachten.
2.1.
Het UWV heeft aan eiser een WAO-uitkering toegekend met ingang van 21 september 1998 berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%.
Aan dit besluit ligt de rapportage van een verzekeringsarts van 18 augustus 1998 ten grondslag waarin is geconcludeerd dat eiseres geen duurzaam benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van loonvormende arbeid heeft, omdat er sedert 20 juli 1997 sprake is van langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.
Bij rapporten van 13 augustus 1999 en 30 juni 2003 wordt door verzekeringsartsen geconcludeerd dat de belastbaarheid ten opzichte van de situatie beschreven in de rapportage van 18 augustus 1998 ongewijzigd is.
2.2.
In 2005 volgde een herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) [1] .
In het kader van deze herbeoordeling heeft een verzekeringsarts ( [primaire verzekeringsarts] ) het rapport van 5 april 2005 opgesteld. Hierin wordt onder andere als diagnose Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) benoemd. De primaire verzekeringsarts overweegt dat sprake is van inconsistenties. Op het spreekuur uit eiseres dat zij gewoonlijk niet eerder dan om 13.00 uur opstaat vanwege haar vermoeidheid, echter om 11.00 uur op het spreekuur wordt een goed verzorgde vrouw, monter en fris gezien. Eiseres geeft adequaat antwoorden op gestelde vragen, zij wordt zelfs verbaal feller. Daarnaast claimt eiseres concentratieproblemen en vergeetachtigheid, echter tijdens het spreekuur worden op geen enkele wijze aanwijzingen voor cognitieve functiebeperkingen gesignaleerd. Bij internistisch onderzoek zijn nimmer objectieve afwijkingen geconstateerd en de internist twijfelt aan de diagnose CVS. Er wordt dus afgeweken van uitspraken in het verleden. Eiseres heeft wel degelijk duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid, zonder een echte urenrestrictie. Een urenrestrictie en een verder verblijf in bed overdag door eiseres werken slechts invaliderend. Deze zijn ook niet passend volgens de huidige richtlijnen bij de behandeling. Ten slotte zijn ook bij zijn lichamelijk onderzoek geen afwijkingen geconstateerd, die de klachten van eiseres verklaren.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn destijds neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 april 2005.
2.3.
Met het besluit van 22 april 2005 heeft het UWV de WAO-uitkering van eiseres per 20 juni 2005 beëindigd, omdat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
2.4.
De bezwaar-verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 25 oktober 2005 overwogen dat de primaire verzekeringsarts de belastbaarheid van eiseres niet heeft overschat. Eiseres moet in staat worden geacht om energetische lichte werkzaamheden te verrichten conform de FML van 5 april 2005. Conform de richtlijn ‘Beperkte arbeidsduur’ bestaat er geen aanleiding tot het stellen van een urenbeperking.
De bezwaar-arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 27 oktober 2005 geconcludeerd dat de onderzoeksbevindingen in overeenstemming zijn met de bepaling van het arbeidsongeschiktheidspercentage door het primaire team. Er is sprake van een loonverlies van 0%.
2.5.
Met het besluit van 27 oktober 2005 heeft het UWV, onder verwijzing naar voorgenoemde rapportages van de bezwaar-verzekeringsarts en bezwaar-arbeidsdeskundige, het bezwaar ongegrond verklaard.
2.6.
Op 17 november 2022 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling op grond van de motie van [Tweede Kamerlid 1] . Met het besluit van 5 december 2022 heeft het UWV dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 april 2023 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Procesverloop

3. Met de brief van 3 april 2023 heeft eiseres verzocht om terug te komen op het besluit van 22 april 2005 waarbij de WAO-uitkering van eiseres per 20 juni 2005 werd beëindigd. Daarbij beroept eiseres zich op de motie van [Tweede Kamerlid 2] welke op 19 april 2005 door de Kamer is aangenomen.
3.1.
Het UWV heeft met het besluit van 3 juni 2024 (primair besluit) geweigerd terug te komen op het besluit van 22 april 2005. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de partner van eiseres, mr. Heek zijnde een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en mr. M. Duric namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat er geen medische redenen zijn om terug te komen op de WAO-beslissing van 22 april 2005. Het UWV baseert zich daarbij op de rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b). De verzekeringsarts b&b heeft onderzocht of de eerdere beoordeling juist was. Hij concludeert dat er geen aanleiding is om af te wijken van het eerdere standpunt. Er is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden en/of oneigenlijke argumenten, waaruit geconcludeerd kan worden dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag voor de beëindiging van de WAO-uitkering onjuist is geweest.
4.1.
In het rapport van 31 mei 2024 heeft de verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) overwogen dat uit het medisch onderzoeksverslag van 5 april 2005 voldoende duidelijk wordt dat de primaire verzekeringsarts de beoordeling volgens de destijds geldende regels heeft uitgevoerd. Het wordt duidelijk op welke gronden de primaire verzekeringsarts tot zijn conclusie is gekomen. Voor wat betreft het besluit om de uitkering per 20 juni 2005 te beëindigen komt de verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) tot de conclusie dat er geen sprake is van fouten, de verzekeringsartsbeoordeling heeft plaatsgevonden op de juiste verzekeringsgeneeskundige grondslag. Daarnaast wordt op basis van de ontvangen medische informatie van de huisarts geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden (nova).
4.2.
In het rapport van 11 maart 2025 heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat er geen medische redenen zijn om terug te komen op de WAO-beslissing van 22 april 2005. De rapportage van 5 april 2005 lezend kan de verzekeringsarts b&b volgen dat de primaire verzekeringsarts in 2005 de beoordeling volgens de destijds geldende regels heeft uitgevoerd en er dus geen foutieve besluiten zijn genomen ten aanzien van de beperkingen. Verder blijkt uit de opgevraagde gegevens van de huisarts dat er geen nieuwe ontwikkelingen zijn ten aanzien van de ervaren energetische en cognitieve klachten van eiseres. Er is dus geen sprake van nova.
Er zijn uitgebreide beperkingen aangenomen in de FML van 5 april 2005 in de rubrieken 1, 2, 3, 4, en 6, die aannemelijk zijn in verband met de ervaren belemmeringen en de objectieve afwijkingen bij primair psychisch en lichamelijk onderzoek. Al deze aangenomen beperkingen garanderen een lichte mentale en fysieke aangepaste functie, zodat een mentale en fysieke overbelasting wordt voorkomen. Bij zo een lichte aangepaste functie is een (verregaande) urenbeperking niet plausibel, volgens de verzekeringsgeneeskundige Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid (Standaard Duurbelasting).
In reactie op de bezwaargronden heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat de huidige ervaren klachten en belemmeringen niet kunnen worden meegenomen bij de bepaling van de belastbaarheid op een datum in geding die 20 jaar eerder is. De verzekeringsarts b&b ziet niet in welke medische informatie nog meer bij de beoordeling had moeten worden betrokken. De datum in geding is in 2005 en de gegevens van de huisarts zijn relevant om te zien of er in de daaropvolgende jaren sprake van nova is geweest. Afgaand op de gegevens van 2005 is verzekeringsgeneeskundig correct gehandeld en afgaand op de huisartsgegevens is er geen sprake van nova geweest. Verder overweegt de verzekeringsarts b&b dat zeker sprake is van de door de WHO erkende diagnose CVS/ME (myalgische encephalomyelitis), maar dat deze diagnose een aandoening betreft met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten. Medisch gezien worden bij alle onderzoeken namelijk geen lichamelijke afwijkingen gevonden (objectief), hetgeen ook het geval is bij eiseres. Bovendien was er bij een internist in 1998 ook nog twijfel over de diagnose CVS/ME. De Medisch Arbeidsongeschiktheid Criterium (MAOC) stelt dat rekening gehouden moet worden met de (subjectief) ervaren klachten van een cliënt, ongeacht de diagnose. Volgens de WAO is de zwaarte van een aangenomen beperking echter wel afhankelijk van de medische objectiveerbaarheid van een ziekte. In verband met deze schijnbare tegenstelling kan een door een verzekeringsarts aangenomen beperking op basis hiervan soms niet overeenkomen met wat een cliënt ervaart, maar dit betekent niet dat verzekeringsarts de aandoening niet als ziekte ziet en daardoor ook niet dat de aangenomen beperkingen verkeerd zijn. Integendeel zelfs, want de verzekeringsarts dient ook rekening te houden met objectiveerbare bewijzen voor de zwaarte van ervaren belemmering.
Standpunt eiseres
5. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldige en onjuiste herbeoordeling, omdat de verzekeringsarts b&b niet is ingegaan op alle in bezwaar aangevoerde argumenten. Ook is niet gebleken dat er een correcte inhoudelijke herbeoordeling heeft plaatsgevonden, noch tijdens de herbeoordeling door de primaire verzekeringsarts, noch bij de beoordeling in bezwaar door de verzekeringsarts b&b. De primaire verzekeringsarts bleek blijkens zijn rapportage namelijk alleen te beschikken over het medisch onderzoeksverslag van 5 april 2005 dat hij had verkregen van eiseres zelf. Uit de rapportage van verzekeringsarts b&b blijkt dat hij de in bezwaar ingebrachte (medische) informatie, waaronder de eigen stukken van het UWV, niet heeft meegewogen in zijn beoordeling. Bij punt 6 van de rapportage “Heroverweging” is zelfs aangegeven dat het gaat om een weigering WAO in 2005. Dat klopt helemaal niet, eiseres had namelijk vanaf 21 september 1998 een WAO-uitkering waarbij ze volledig arbeidsongeschikt was geacht. Nu niet de verwachting bestaat dat er in beroep een ander oordeel zal volgen gezien de standvastigheid van het UWV, verzoekt eiseres de rechtbank om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige.
Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat haar WAO-uitkering vanaf 20 juni 2005 voortgezet moet worden. Eiseres is vanaf 21 september 1998 volledig arbeidsongeschikt geacht in de zin van de WAO, zonder duurzaam benutbare mogelijkheden. Er was toen al sprake van chronische vermoeidheidsklachten. De wijzigingen in het aangepaste Schattingsbesluit per 1 oktober 2004 betreffen alleen de arbeidskundige beoordeling, zodat 3 functies met minimaal 3 arbeidsplaatsen voldoende is in plaats van 3 functies met minimaal 10 arbeidsplaatsen. Aan de medische beoordeling werden geen andere eisen gesteld. Naar aanleiding van het aangepaste Schattingsbesluit is een herbeoordeling verricht. Eiseres was vanaf 20 september 1997, dus bijna 8 jaar ziek en had bijna 7 jaar een volledige WAO-uitkering toen zij opeens, per 20 juni 2005, in staat werd geacht 40 uur per week te werken. Dit, terwijl er medisch gezien absoluut geen sprake was van een verbetering en het UWV daarvoor steeds van oordeel was dat er geen benutbare mogelijkheden waren. Blijkens de rapportage van 5 april 2005 lijkt het erop dat de primaire verzekeringsarts destijds van mening was dat er bij CVS/ME na aanpassing van het Schattingsbesluit minder beperkingen aangenomen mochten worden. Dit terwijl er vanaf het begin van de ziekte van eiseres sprake is van een consistente presentatie van klachten en beperkingen. Op basis daarvan had geconcludeerd moeten worden dat er sprake was van meer beperkingen, waaronder een grote urenbeperking. In het bezwaarschrift van eiseres van 28 mei 2005 is zeer uitgebreid de situatie van eiseres van destijds verwoord. Zowel uit de medische informatie als uit de consistente dagverhalen van eiseres, blijkt dat zij tot vrijwel niets in staat is gezien haar vermoeidheidsklachten en zij een enorm grote slaapbehoefte heeft van 13 tot 14 uur per dag.
Uit de rapportage van de bezwaar-verzekeringsarts van 25 oktober 2005 blijkt heel duidelijk dat men toen van mening was dat het aangepaste Schattingsbesluit toch een andere medische beoordeling vergde dan eerder het geval was. Daarin staat namelijk onder meer dat slechts beperkingen mogen worden aangenomen die rechtstreeks en onherroepelijk voortvloeien uit geobjectiveerde ziekten en gebreken. De klachten en verschijnselen die eiseres ondervindt worden geclassificeerd onder de noemer CVS. Dit houdt in dat er géén afdoende medische verklaring kan worden gegeven voor de verschijnselen die eiseres belemmeren in haar functioneren. Bovendien is vermeld dat eiseres door haar gedrag naar aanleiding van haar klachten slechts tot marginale inspanningen komt waardoor het inactiviteitsgedrag wordt geconditioneerd wat nadelige gevolgen zou hebben voor haar lichamelijke en mentale conditie. Hier valt de vergelijking te trekken met hetgeen nu gaande is inzake de lastig grijpbare ziekte long-covid.
De moties [Tweede Kamerlid 2] zijn aangenomen omdat gebleken is dat na dergelijke herbeoordelingen ongeveer 80% van de CVS/ME-patiënten hun WAO-uitkering geheel of gedeeltelijk verliest. De eerste motie [Tweede Kamerlid 2] is ingediend omdat geconstateerd is dat in de keuringspraktijk verschillende opvattingen over CVS/ME een rol spelen. De tweede motie [Tweede Kamerlid 2] is aangenomen op 1 juli 2005 omdat de eerdere motie nog niet had geleid tot een keuringspraktijk voor mensen met CVS/ME die in overeenstemming is met de bestaande regels. Aangegeven is dat rekening moet worden gehouden met alle beperkingen van mensen met CVS/ME en dat alle argumenten die daarmee strijdig zijn als oneigenlijk moeten worden bestempeld. Eiseres heeft om een herbeoordeling gevraagd op grond van deze twee moties [Tweede Kamerlid 2] . De moties [Tweede Kamerlid 2] zijn namelijk bedoeld voor een situatie als die van eiseres waarin het duidelijk is dat onder andere de vermoeidheidsklachten niet of niet volledig zijn erkend doordat er bij rubriek 6 in de FML wordt uitgegaan van 8 uur per dag en 40 uur per week kunnen werken.
Eiseres heeft verder aangevoerd dat uit de rapportage van september 2006 van Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid blijkt dat er wel, anders dan de primaire verzekeringsarts heeft gesteld, in maart 2006 een instructie is geweest in welke gevallen de arbeidsongeschiktheid opnieuw moet worden beoordeeld. Eiseres is primair van mening dat de beoordeling door de primaire verzekeringsarts onjuist is. De verzamelde gegevens lijken namelijk niet of nauwelijks de getrokken conclusie te kunnen rechtvaardigen. Subsidiair stelt eiseres dat er sprake is van een onvoldoende motivering, omdat er sprake is van een discrepantie tussen de vastgelegde gegevens en de conclusie, die niet in de motivering wordt overbrugd. Ook het Verzekeringsgeneeskundig protocol CVS lijkt niet te zijn toegepast. Bij het bepalen van de functionele mogelijkheden in werk zijn deze onvoldoende gewogen in relatie tot andere domeinen van functioneren en participeren. Bij het vaststellen van de mogelijkheden tot functioneren en participeren dient het niveau van functioneren te worden beoordeeld op microniveau, mesoniveau en macroniveau. Aandachtspunten bij de medische beoordeling van mogelijkheden tot functioneren en participeren zijn: cognitief en fysiek functioneren, invloed van externe prikkels, de aanwezigheid van chronische pijnklachten, reactie op en herstel na fysieke en/of cognitieve inspanning, de (mogelijke) duur van de belasting en de duur en frequenties van eventuele noodzakelijke rustpauzes, een wisselend beloop en gedrags- en fysieke comorbide factoren (en de adequate behandeling hiervan). Een uitvraag hiernaar en beoordeling hiervan is niet of onvoldoende gedaan.
De verzekeringsarts b&b is niet ingegaan op de opmerkingen dat de primaire verzekeringsarts zich alleen heeft gebaseerd op de rapportage van 5 april 2005 en wat specialisten hebben geschreven in de periode van 2011 tot en met 2021. Althans, heeft zelf ook geen inhoudelijke medische beoordeling gedaan waarbij de medische stukken die in
bezwaar zijn ingebracht, alsmede het dossier van het UWV zelf, meegewogen zijn.
Eiseres heeft wel geprobeerd te werken, maar zelfs 4 uur per week werken bleek te zwaar te zijn. Ook uit de latere medische informatie blijkt dat de beperkingen van eiseres nog steeds hetzelfde zijn en dat er in 2015 een traject is gestart bij de Polikliniek Medisch Specialistische Revalidatie, dat helaas ook geen effect heeft gehad.
Medische rapportage in beroep van verzekeringsarts b&b
6. In reactie op de beroepsgronden heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat er wel degelijk is ingegaan op de bezwaargronden en dat alle in bezwaar aangeleverde stukken wel zijn meegenomen in de herbeoordeling in bezwaar. Daarin was echter geen medische informatie ten aanzien van de datum in geding opgenomen die nog niet bekend was bij de primaire beoordeling. De verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) heeft zorgvuldigheid betracht, tevens bewezen door het opvragen van medische gegevens bij de huisarts. Op basis van de primaire rapportage uit 2005 is er geen sprake van geen benutbare mogelijkheden op basis van de uitzonderingscriteria genoemd in het Schattingsbesluit. Volgens de Standaard Duurbelastbaarheid moet er een te objectiveren oorzaak zijn voor een energetische stoornis, hetgeen in het geval van CVS niet het geval is. Er is immers sprake van aanhoudende lichamelijke klachten waarbij geen somatische of psychische oorzaak gevonden is bij eiseres. Dit geldt tevens voor de overige beperkingen. Over de stelling van eiseres dat de primaire verzekeringsarts er onterecht van uit is gegaan dat er naar aanleiding van de moties [Tweede Kamerlid 2] geen aanvullende instructies zouden zijn, heeft de verzekeringsarts b&b overwogen dat er hoe dan ook geen sprake is van nieuwe feiten en of omstandigheden waaruit geconcludeerd kan worden dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag voor de beëindiging van de WAO-uitkering onjuist is geweest. Ook in beroep is geen medische informatie aangeleverd die nog niet bekend was bij de primaire beoordeling. De ingebrachte stukken en medische informatie vormen geen aanleiding tot aanpassing van het eerdere oordeel in bezwaar.
Reactie eiseres op medische rapportage in beroep
7. In reactie op voorgenoemde medische rapportage geeft eiseres aan dat het er sterk op lijkt dat de verzekeringsarts b&b haar gewoonweg niet gelooft en daardoor bevooroordeeld is bij de beoordeling van deze kwestie en daarbij alleen de dingen uit de medische informatie naar voren haalt die diens oordeel bevestigen. Eiseres meent juist dat er sprake is van een consistent verhaal, zowel van haarzelf als wat blijkt uit de medische
informatie. En dat zij het slachtoffer is geworden van een nieuwe behandelwijze van het UWV in 2005. Mede daarom is de rechtbank reeds verzocht om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige. In dit kader verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025 [2] . Nu aan de in deze uitspraak genoemde elementen wordt voldaan, dienen de eerdere, zwaardere beperkingen, waaronder de urenbeperking, gehandhaafd te worden door het UWV. Verder verwijst eiseres naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 juli 2025 [3] . Nu sprake is van een vergelijkbare kwestie, dienen de inzichten uit deze uitspraken ook in haar situatie te worden toegepast. De eerder bij haar vastgestelde beperkingen dienen dan ook gehandhaafd te blijven nu er nadien geen verbetering is opgetreden en er sprake is van reëel ervaren beperkingen en een consistent verhaal van eiseres en behandelaars. Verder is er op 19 september 2025 een onderzoek gestart naar de beoordeling door het UWV van mensen met CVS/ME. Het onderzoek richt zich op de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. Een dergelijk onderzoek duidt er ook op dat de beoordeling bij CVS/ME in veel gevallen niet correct is geweest. Zoals ook het geval is bij eiseres. Op 1 oktober 2025 heeft UWV een intern bericht opgesteld naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB over CVS/ME. Hierin zijn uitdrukkelijke handvatten vermeld voor de beoordeling. Het UWV heeft bij de beoordeling niet voldaan aan de in de jurisprudentie geschetste kaders en ook niet aan de handvatten van het UWV zelf.
Verweerschrift
8. In het verweerschrift overweegt het UWV dat eiseres miskent dat het hier gaat om een verzoek om terug te komen van een vaststaande beslissing. De centrale vraag in deze zaak is of er sprake is van nova. De verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) heeft geoordeeld dat de aangeleverde stukken niet kunnen worden beschouwd als nieuwe feiten of omstandigheden. De thans aangeleverde informatie onderschrijft de medische situatie van eiseres op de oorspronkelijke beoordelingsdatum in 2005. Ook uit de door de verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) opgevraagde informatie bij de huisarts is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. De verzekeringsarts b&b kwam tot hetzelfde oordeel. De CRvB heeft eerder geoordeeld dat het UWV in gevallen als deze niet gehouden is een toetsing te verrichten als betrof het een oorspronkelijk besluit. [4]
Naar aanleiding van de motie [Tweede Kamerlid 2] zijn de verzekeringsartsen van het UWV nader geïnstrueerd en is de interne instructie ‘Incidentele Mededeling AW van 27 maart 2006 over CVS/ME’ (Incidentele Mededeling) opgesteld. Wanneer een belanghebbende daarom verzoekt, moet een verzekeringsarts aan de hand van deze instructie beoordelen of er bij de oorspronkelijke beoordeling sprake is geweest van een handelwijze/beoordeling die onmiskenbaar in strijd is met wettelijke regels, beleidsregels of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Enkel wanneer inderdaad wordt vastgesteld dat er sprake is een ‘fout’, kan eventueel worden toegekomen aan een inhoudelijke herbeoordeling. De verzekeringsarts ( [verzekeringsarts] ) heeft geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts in 2005 de beoordeling volgens de destijds geldende regels heeft uitgevoerd. Er is geen sprake is van een ‘fout’. Er zijn geen oneigenlijke argumenten vastgesteld zoals in de motie [Tweede Kamerlid 2] bedoeld. De verzekeringsartsbeoordeling heeft plaatsgevonden op de juiste verzekeringsgeneeskundige grondslag. De primaire verzekeringsarts was in 2005 bekend met de diagnose CVS en de daaruit voortvloeiende klachten en heeft daarvoor beperkingen aangenomen in de opgestelde FML. De verzekeringsarts b&b heeft nader gemotiveerd waarom er in dit geval geen sprake is van een fout. Ook hij concludeert op basis van de thans aangeleverde informatie dat de vermoeidheidsklachten in 2005 voldoende zijn onderkend in de opgestelde FML. Het UWV heeft dus terecht terughoudend getoetst. De huidige beoordeling omvat enkel het destijds verrichtte onderzoek en behandeling. Daarbij moet het gaan om een strikt individuele beoordeling. Deze wijze van beoordelen is tevens bevestigd in bestendige jurisprudentie [5] .
Het UWV concludeert dat er in dit geval geen sprake is van een novum en ook niet van een fout als bedoeld in de betreffende motie. Aan een inhoudelijke heroverweging van de destijds in 2005 aangenomen beperkingen wordt dan ook niet toegekomen.
Indien de rechtbank toch tot het oordeel komt dat hier wel sprake is van nova en/of een fout van de primaire verzekeringsarts, dan ziet het UWV onvoldoende toegevoegde waarde in het inschakelen van een onafhankelijk deskundige. Niet valt in te zien wat een medisch onderzoek - ruim twintig jaar na de datum in geding - nog kan toevoegen aan het huidige dossier.
Is sprake van nova?
9. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat niet in geschil is dat geen sprake is van nova.
Het geschil beperkt zich tot de vraag of op basis van de moties [Tweede Kamerlid 2] moet worden teruggekomen op het besluit van 22 april 2005.
Vormen de moties [Tweede Kamerlid 2] aanleiding om de beëindiging van de WAO-uitkering te herzien?
10. De op 19 april 2005 aangenomen [Tweede Kamerlid 2] houdt in dat voor alle verzekeringsartsen en anders professioneel betrokkenen volledig duidelijk moet zijn dat CVS/ME een officieel erkende aandoening is, die als zodanig dient te worden bezien bij de (her)keuring voor de WAO en dat cliënten met deze aandoening strikt individueel beoordeeld dienen te worden.
De op 1 juli 2005 aangenomen motie [Tweede Kamerlid 2] houdt in dat bij de keuring volledig rekening gehouden moet worden met alle beperkingen van mensen met ME/CVS en dat alle argumenten die hiermee strijdig zijn, oneigenlijk zijn. Hierbij is verzocht om alle herkeurde mensen met ME/CVS die met deze oneigenlijke argumenten zijn geconfronteerd en zelf graag een nieuwe keuring bij het UWV wensen, daartoe de mogelijkheid te geven.
10.1.
Het UWV heeft ter uitvoering van de motie [Tweede Kamerlid 2] een interne werkinstructie, de Incidentele Mededeling, opgesteld waarin de handelwijze wordt beschreven die moet worden gevolgd bij een verzoek om terug te komen van een beschikking in gevallen waarbij de diagnose CVS/ME een rol speelt. Volgens deze werkinstructie moet wanneer door mensen met CVS/ME een verzoek wordt ingediend om terug te komen op een eerder besluit, niet alleen worden nagegaan of sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dient ook te worden nagegaan of sprake is van een onjuiste verzekeringsgeneeskundige grondslag. Volgens de instructie is dat het geval wanneer: de verzekeringsarts ten onrechte ervan is uitgegaan dat CVS/ME geen ziekte is (situatie 1), de verzekeringsarts heeft geconstateerd dat er geen ziekte is en op die grond met voorbijgaan aan de ervaren beperkingen van betrokkene heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid (situatie 2), de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat betrokkene niet arbeidsongeschikt is omdat een duidelijke diagnose ontbreekt (situatie 3), dan wel wanneer de motivering van de verzekeringsarts onvoldoende inzichtelijk is (situatie 4) of niet gedragen wordt door de verzamelde gegevens (situatie 5). Als er sprake is van een fout als hiervoor genoemd, dient volgens de instructie een nieuwe inhoudelijke beoordeling plaats te vinden.
10.2.
Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de rapportage van de primaire verzekeringsarts aantoonbare onjuistheden bevat. Zo heeft de primaire verzekeringsarts overwogen dat er geen aanvullende instructies zijn ingevoerd naar aanleiding van de moties [Tweede Kamerlid 2] , maar daarmee wordt de Incidentele Mededeling miskend. Ook heeft de primaire verzekeringsarts ten onrechte overwogen dat geen bezwaar is ingesteld tegen het besluit van 22 april 2005.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verzekeringsartsen bij hun beoordeling geen standpunt lijken te hebben ingenomen over de rapportage van de bezwaar-verzekeringsarts van 25 oktober 2025 en alleen een standpunt hebben ingenomen over het rapport van de primaire verzekeringsarts van 5 april 2025.
Maar nog belangrijker acht de rechtbank dat de verzekeringsartsen geen van beiden melding hebben gemaakt van de Incidentele Mededeling in hun rapportages en dat zij daaraan niet kenbaar hebben getoetst. De verzekeringsartsen hebben enkel overwogen dat geen sprake is geweest van een onjuiste verzekeringsgeneeskundige grondslag. De verzekeringsartsen hebben niet per situatie uit de Incidentele Mededeling gemotiveerd waarom daarvan geen sprake is. De verzekeringsartsen hebben wel verwezen naar het rapport van de primaire verzekeringsarts van 5 april 2005 waarin wordt uitgegaan van de diagnose CVS en beperkingen die op basis daarvan zijn aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat geen sprake is van de situaties zoals beschreven onder 1, 2 en 3. Hoewel het UWV ter zitting heeft gesteld dat de verzekeringsartsen kennelijk hebben getoetst of de motivering van de primaire verzekeringsarts onvoldoende inzichtelijk is of niet gedragen wordt door de verzamelde gegevens (situatie 4 en 5), wordt echter niet inzichtelijk gemotiveerd waarom deze situaties zich niet voordoen. De enkele stelling van het UWV ter zitting dat de inconsequenties genoemd in het rapport van 5 april 2005 worden weggenomen door de diagnose, acht de rechtbank niet overtuigend. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het bestreden besluit leidt aan een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

11. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken. De rechtbank zal de verzekeringsarts b&b in de gelegenheid stellen om aan de hand van de in 10.1. genoemde situaties 4 en 5 logisch en concludent te motiveren waarom in de medische rapportages uit 2005 geen onjuiste verzekeringsgeneeskundige grondslag is gehanteerd, met inachtneming van het standpunt van eiseres dat ook het Verzekeringsgeneeskundig protocol CVS niet lijkt te zijn toegepast.
11.1.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruikmaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 30 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie ook Staatsblad 2004, 434.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3571).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 16 november 2007 (ECLI:NL:RBARN:2007:BB8042) en van de CRvB van 25 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH4081).