ECLI:NL:RBZWB:2026:4475

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
11975803 \ AZ VERZ 25-72 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Mulders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 9 BWArt. 7:686a lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever en toekenning billijke vergoeding

Werknemer is sinds 2008 in dienst van Gemeente Roosendaal en heeft sinds 2023 een conflict met haar voormalig leidinggevende, die zich schuldig maakte aan pestgedrag. Ondanks bemiddeling en onderzoeken bleef de situatie onveilig, waarna werknemer zich in 2024 ziek meldde. Gemeente Roosendaal heeft onvoldoende ingegrepen en de onveilige situatie voortgezet.

Partijen zijn het eens dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2026 en kent werknemer een transitievergoeding toe van € 28.901,86 bruto. De verklaring voor recht dat werknemer geen aanspraak heeft op aanvullende en na-wettelijke uitkering wordt afgewezen, omdat de verstoorde arbeidsverhouding niet aan werknemer te wijten is.

Vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever kent de kantonrechter een billijke vergoeding toe van € 24.460,64 bruto en een immateriële schadevergoeding van € 3.000,00. Verzoeken tot vergoeding beschikbaarheidsdiensten en kosten rechtsbijstand worden afgewezen. Gemeente Roosendaal wordt veroordeeld tot wettelijke eindafrekening en proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 oktober 2026 met toekenning van transitievergoeding, billijke vergoeding en immateriële schadevergoeding aan werknemer wegens ernstig verwijtbaar handelen van werkgever.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11975803 \ AZ VERZ 25-72
Beschikking van 13 mei 2026
in de zaak van
DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON GEMEENTE ROOSENDAAL,
te Roosendaal,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Gemeente Roosendaal,
gemachtigde: mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen,
tegen
[werknemer],
te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijke zelfstandige verzoeken
- het verweerschrift inzake tegenverzoeken
- de akte houdende wijziging verzoeken van [werknemer]
- de producties 36 en 37 van [werknemer] .
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben daarbij pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [geboortedag] 1986, is sinds 1 november 2008 in dienst van Gemeente Roosendaal. De functie van [werknemer] is [functie 1] met per 1 januari 2026 een loon van € 4.165,50 bruto per maand exclusief emolumenten (waaronder 17,05% IKB). Op het dienstverband is de cao Gemeenten van toepassing.
2.2.
Op [geboortedag] 2023 heeft er een conflict plaatsgevonden tussen [werknemer] en mevrouw [collega 1] (haar directe collega bij het [team] , hierna: [collega 1] ) met de heer [ledinggevende] (hierna: [ledinggevende] ), hun (thans voormalig) leidinggevende .
2.3.
Op 2 februari en 20 februari 2023 hebben er onder begeleiding van een interne gespreksbemiddelaar (mevrouw [gespreksbemiddelaar] ) van Gemeente Roosendaal bemiddelingsgesprekken plaatsgevonden tussen [werknemer] , [collega 1] en [ledinggevende] . Een derde gesprek heeft op verzoek van [collega 1] en [werknemer] niet meer plaatsgevonden.
2.4.
In januari 2024 heeft [bedrijf] na inventarisatie een rapport uitgebracht ( [quickscan] Gemeente Roosendaal) met daarin een advies met aanbevelingen over wat nodig is binnen het [team] en voor het Huis van Roosendaal.
2.5.
[werknemer] heeft zich per 1 februari 2024 ziekgemeld.
2.6.
[collega 1] heeft zich per 5 februari 2024 ziekgemeld.
2.7.
In februari 2024 is mevrouw [interim-teamleider] als interim-teamleider aangesteld die de taken en verantwoordelijkheden van [ledinggevende] heeft overgenomen.
2.8.
Op 19 april 2024 is een plan van aanpak opgesteld. Daarbij is conform het advies van de bedrijfsarts opgenomen dat met [werknemer] ongeveer eenmaal per twee à drie weken contact diende te plaatsvinden.
2.9.
Op 12 juni 2024 heeft er een gesprek met [collega 1] , [werknemer] en de gemeentesecretaris , de heer [gemeentesecretaris] , plaatsgevonden.
2.10.
Op 9 juli 2024 heeft een tweede gesprek met [collega 1] , [werknemer] en de gemeentesecretaris plaatsgevonden. Daarbij is voorgesteld om mediation in te zetten. Ook is afgesproken dat de hervatting van re-integratiewerkzaamheden zou worden uitgesteld totdat de mediation had plaatsgevonden.
2.11.
In augustus 2024 heeft Gemeente Roosendaal opdracht gegeven aan [advocaten kantoor] om een feitenonderzoek te verrichten gericht op de vraag of binnen het [team] sprake is van een onveilige werkomgeving. Dit onderzoek heeft in de periode van 11 november 2024 tot en met 14 februari 2025 plaatsgevonden.
2.12.
In september 2024 hebben [collega 1] en [werknemer] een officiële klacht bij de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de Decentrale Overheid (hierna: LKOG) ingediend inzake het ongewenste gedrag van [ledinggevende] .
2.13.
Op 2 december 2024 heeft het eerste mediationgesprek tussen partijen plaatsgevonden.
2.14.
Op [geboortedag] 2025 heeft de LKOG haar adviesrapport uitgebracht, waarin wordt geadviseerd de klacht van [collega 1] en [werknemer] gegrond te verklaren. Er is vastgesteld dat er aan de zijde van [ledinggevende] sprake was van pestgedrag in de vorm van schreeuwen en uitvallen, negeren, uitsluiting in werk en informatievoorziening, en het niet meer groeten van [collega 1] en [werknemer] . Verder is in dat rapport geadviseerd met [ledinggevende] in gesprek te gaan over het effect van zijn handelen en de gewenste omgangsvormen. Voorts is geadviseerd passende ondersteuning voor [collega 1] en [werknemer] in te schakelen.
2.15.
Op 14 februari 2025 is het feitenonderzoek door [advocaten kantoor] afgerond. Uit deze rapportage volgt dat er volgens de onderzoeker geen sprake is van een onveilige werksituatie binnen het [team] van de Gemeente Roosendaal. In het rapport is verder geconcludeerd dat het conflict tussen [collega 1] en [werknemer] met [ledinggevende] dient te worden opgelost voordat zij kunnen terugkeren.
2.16.
Op 24 februari 2025 is het mediationtraject afgesloten. Gebleken is dat herstel van de arbeidsrelatie niet mogelijk is.

3.Het verzoek, het verweer en de voorwaardelijke tegenverzoeken

3.1.
Gemeente Roosendaal verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Daarnaast verzoekt Gemeente Roosendaal voor recht te verklaren dat [werknemer] aan de toepasselijke cao geen aanspraken kan ontlenen op een aanvullende en na-wettelijke uitkering. Verder verzoekt Gemeente Roosendaal [werknemer] in de proceskosten te veroordelen.
3.2.
Gemeente Roosendaal heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [werknemer] sinds [geboortedag] 2023 een conflict heeft met haar voormalig
leidinggevende , de heer [ledinggevende] . In de periode na het gerezen conflict verliep
de samenwerking, ondanks de door de Gemeente Roosendaal ingezette bemiddeling, moeizaam. [werknemer] en de heer [ledinggevende] communiceerden vanaf dat moment uitsluitend per e-mail. In januari 2024 vond vervolgens een overleg plaats, waardoor voor [werknemer] de situatie onhoudbaar was geworden. Om die reden heeft zij zich in februari 2024 ziekgemeld. Uit de beoordeling van de bedrijfsarts is gebleken dat de klachten het gevolg waren van een arbeidsconflict. Gemeente Roosendaal heeft vervolgens herhaaldelijk inspanningen verricht om de arbeidsverhoudingen te normaliseren en de vertrouwensbreuk te herstellen. Niettemin is geen structurele oplossing bereikt. Als gevolg hiervan is de arbeidsrelatie tussen Gemeente Roosendaal en [werknemer] ernstig en duurzaam verstoord geraakt, waardoor de arbeidsovereenkomst niet langer in stand kan blijven.
Gelet op de cao bestaat per 1 januari 2026 bij een verstoorde arbeidsverhouding geen aanspraak meer op een aanvullende of bovenwettelijke uitkering. Daarnaast dient bij een passende regeling, voor zover dat redelijk en billijk is, ook de transitievergoeding te worden betrokken. Indien [werknemer] een transitievergoeding krijgt, is het passend dat zij geen recht heeft op een aanvullende en na-wettelijke uitkering. Ook uit jurisprudentie volgt dat op grond van de voorheen geldende cao het mogelijk was om geen bovenwettelijke uitkering toe te kennen [1] .
3.3.
[werknemer] voert het volgende verweer. [werknemer] is eveneens van oordeel dat de arbeidsverhouding dusdanig is verstoord dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. Echter met inachtneming van een opzegtermijn van vier maanden. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] een transitievergoeding toekomt. De transitievergoeding bedraagt in dat geval € 28.558,00. De verzochte verklaring voor recht is niet toewijsbaar. Uit de jurisprudentie tot 1 januari 2026 blijkt dat werd aangenomen dat een na-wettelijke uitkering diende te worden toegekend als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de betrokken ambtenaar. Dat dient ook te gelden na 1 januari 2026. De situatie tussen partijen is in dit geval ontstaan door ernstig en verwijtbaar handelen van Gemeente Roosendaal.
In het tegenverzoek
3.4.
[werknemer] verzoekt, na wijziging van haar verzoek, Gemeente Roosendaal te veroordelen tot betaling van € 42.816,00 bruto aan billijke vergoeding, € 28.558,00 bruto aan transitievergoeding, € 40.000,00 aan immateriële schadevergoeding, € 3.700,00 aan kosten rechtsbijstand, € 64.111,00 bruto aan vergoeding beschikbaarheidsdienst en over te gaan tot de wettelijke afrekening van de opgebouwde en niet genoten verlof-/vakantiedagen en IKB. Verder verzoekt [werknemer] Gemeente Roosendaal te veroordelen tot het betalen van een aanvullend en na-wettelijke uitkering, althans een passende regeling te treffen conform de cao. Daarnaast verzoekt [werknemer] Gemeente Roosendaal te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[werknemer] legt – samengevat – het volgende ten grondslag aan haar tegenverzoeken. Gemeente Roosendaal heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, omdat zij jarenlang een onveilige werksituatie ten aanzien van [werknemer] heeft laten voorbestaan. Dit blijkt onder andere uit het rapport van de LKOG en de [quickscan] . Gemeente Roosendaal heeft namelijk onder andere niet alle adviezen van de Quickscan opgevolgd. Gemeente Roosendaal heeft nimmer excuses aangeboden voor de situatie waarin [werknemer] is komen te verkeren door het nalaten/handelen van Gemeente Roosendaal en legt vervolgens ten onrechte de schuld van de verstoorde arbeidsverhouding bij [werknemer] .
[werknemer] heeft een eenzijdige werkervaring. Het zal voor haar lastig worden om een soortgelijke baan met dit salaris en vergelijkbare woon/werkafstand te vinden. Bij de berekening van de billijke vergoeding is rekening gehouden met het verschil tussen het loon dat [werknemer] bij de Gemeente Roosendaal ontving en wat zij bij een WW-uitkering zal krijgen gedurende twee jaar. Ook is daarbij rekening gehouden met een pensioenschade van € 684,00 per jaar. Om die reden acht [werknemer] een vergoeding van € 42.816,00 bruto billijk.
Vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van Gemeente Roosendaal heeft [werknemer] onnodig kosten gemaakt aan rechtsbijstand en daardoor schade geleden. Deze kosten van € 3.700,00 dienen integraal te worden vergoed. Ook heeft [werknemer] door het handelen van Gemeente Roosendaal psychische schade ondervonden en ondervindt zij dat nog steeds. Er is sprake van een sterk verminderde belastbaarheid en verhoogde kwetsbaarheid door stress. [werknemer] begroot de immateriële schade op € 40.000,00.
[werknemer] is 24/7 bereikbaar geweest in verband met alarmopvolging. Op grond van artikel 3.13 van de cao hebben degenen die buiten de normale werktijden bereikbaar en inzetbaar zijn recht op een vergoeding voor beschikbaarheidsdienst. Over de periode 2015 tot en met 2023 bedraagt deze vergoeding € 64.111,00 bruto. Gemeente Roosendaal weigert deze vergoeding te betalen.
[werknemer] verzoekt verder de kantonrechter te bepalen dat Gemeente Roosendaal
gehouden is per datum ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan tot een eindafrekening volgens de wet, daaronder begrepen uitbetaling van openstaande verlof/vakantiedagen en IKB, ook over de periode van vrijstelling van arbeid.
3.6.
Gemeente Roosendaal voert hiertegen verweer. Dat verweer komt, voor zover van belang, hierna in de beoordeling verder aan de orde.

4.De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

4.1.
Aangezien het verzoek en het tegenverzoek nauw met elkaar samenhangen, zal de kantonrechter deze hierna gezamenlijk behandelen.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsverhouding tussen hen duurzaam is verstoord. De kantonrechter zal dan ook de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden, aangezien daarvoor een redelijke grond aanwezig is. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 oktober 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging (vier maanden) zou zijn geëindigd.
4.3.
Herplaatsing van [werknemer] ligt gelet op de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding niet in de rede.
Transitievergoeding
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding. Die vergoeding bedraagt (berekend over de periode 1 november 2008 tot 1 oktober 2026) € 28.901,86 bruto. Het verzoek om Gemeente Roosendaal te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding wordt daarom toegewezen.
Verklaring voor recht m.b.t. aanvullende en na-wettelijke uitkering
4.5.
Het verzoek om voor recht te verklaren dat [werknemer] aan de toepasselijke cao geen aanspraak heeft op een aanvullende en na-wettelijke uitkering wordt afgewezen. De door Gemeente Roosendaal aangehaalde wijzigingen per 1 januari 2026 zien op de bovenwettelijke uitkering bij een ontslag wegens disfunctioneren. De regeling ten aanzien van de passende regeling bij een verstoorde arbeidsverhouding is niet gewijzigd. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat bij ontslag op grond van een verstoorde arbeidsverhouding als uitgangspunt geldt dat naast een WW-uitkering een aanvullende uitkering moet worden toegekend. Hiernaast dient een na-wettelijke uitkering te worden toegekend als het ontslag gelegen is in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de betrokken ambtenaar. [2] De kantonrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat aan deze jurisprudentie geen betekenis meer kan worden toegekend. Dat de verstoorde arbeidsverhouding niet te wijten is aan [werknemer] komt hierna in de beoordeling van de billijke vergoeding nader aan de orde.
Billijke vergoeding
4.6.
De kantonrechter ziet aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [3] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [4] In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.7.
Uit de stukken blijkt dat [ledinggevende] op [geboortedag] 2023 ongewenst gedrag heeft vertoond. De relatie tussen [werknemer] met [ledinggevende] is daarna verstoord geraakt, waarna zij kennelijk de afspraak hebben gemaakt enkel via de e-mail te communiceren en dat [werknemer] en [collega 1] bij bepaalde overleggen waarbij [ledinggevende] aanwezig is, niet zullen aansluiten. [ledinggevende] heeft hier kennelijk (stilzwijgend) mee ingestemd. De gespreksbemiddelaar, mevrouw [gespreksbemiddelaar] , is hiervan op de hoogte gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat Gemeente Roosendaal toen al had moeten ingrijpen. Zij was ervan op de hoogte dat twee werknemers en hun leidinggevende niet op normale wijze met elkaar konden communiceren. Daarnaast is de (stilzwijgende) instemming van [ledinggevende] vanuit zijn functie als leidinggevende onnavolgbaar. Uit het rapport van [advocaten kantoor] volgt dat mevrouw [gespreksbemiddelaar] op de hoogte was van het feit dat in de periode daarna de e-mailcommunicatie tussen [collega 1] / [werknemer] en [ledinggevende] stroef en pijnlijk verliep. Ook andere werknemers (waaronder de heer [collega 2] ) hebben deze moeizame samenwerking opgemerkt. Er is echter niet ingegrepen. De situatie escaleert uiteindelijk en [werknemer] raakt per 1 februari 2024 arbeidsongeschikt.
Op 12 juni 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden. Daaruit blijkt dat [werknemer] en [collega 1] zich gepest, buitengesloten en niet gehoord voelden. Er was geen respectvolle en constructieve samenwerking meer met [ledinggevende] en ook was er sprake van een onveilige werkomgeving. Gemeente Roosendaal heeft vervolgens mediation ingezet en [advocaten kantoor] het onderzoek laten verrichten naar de veiligheid van de werkomgeving bij het [team] . De oorzaak van de problematiek wordt echter niet, dan wel onvoldoende aangepakt. [ledinggevende] is immers als projectleider van Huis van Roosendaal nog steeds betrokken bij de werkzaamheden behorende bij de functie van [werknemer] . Gemeente Roosendaal houdt daardoor de onveilige werksituatie in stand. Uit de conclusie van de LKOP van [geboortedag] 2025 volgt dat [ledinggevende] in de periode na [geboortedag] 2023 ongewenst gedrag in de vorm van pesten en negeren tegenover [werknemer] heeft vertoond. Indien Gemeente Roosendaal nog niet overtuigd was van het door [werknemer] gestelde ongewenste gedrag van [ledinggevende] , was dit het moment geweest om daar tegenover [werknemer] duidelijkheid te verschaffen. Gemeente Roosendaal heeft hierover op de mondelinge behandeling verklaard dat aan [werknemer] bij brief van 21 februari 2025 onder andere is medegedeeld dat er conform het advies van de LKOG een gesprek met [ledinggevende] zal plaatsvinden. Wat hierbij is besproken is onbekend. Welke consequenties het gedrag van [ledinggevende] voor [ledinggevende] hebben geleid is evenmin bekend. Gemeente Roosendaal deelt in de brief van 21 februari 2025 samengevat mee dat het advies van de LKOG wordt opgevolgd en dat het mediationtraject wordt voortgezet. Excuses voor het gedrag van [ledinggevende] en/of erkenning van de impact die de hele situatie heeft veroorzaakt op [werknemer] blijft uit. Dat [werknemer] daardoor het vertrouwen in Gemeente Roosendaal als werkgever heeft verloren is dan ook begrijpelijk. Naast dat Gemeente Roosendaal een onveilige werksituatie in stand heeft gelaten, heeft zij het vertrouwen van [werknemer] door haar handelen/nalaten onherstelbaar beschadigd. Dat maakt dat Gemeente Roosendaal ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
4.8.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [5] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.9.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 24.460,64 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
4.10.
Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] goed functioneerde. [werknemer] is inmiddels weer geschikt bevonden om arbeid te verrichten. De kantonrechter gaat ervan uit dat [werknemer] na het eindigen van de WW-uitkering een andere baan heeft gevonden. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de waarschijnlijke situatie dat dit tegen een lager inkomen zal zijn. De kantonrechter acht een inkomensverlies gedurende twee jaar van gemiddeld € 250,00 per maand redelijk. Dat komt neer op een inkomensverlies van € 6.000,00 bruto. Gedurende de WW-uitkering ontvangt [werknemer] de eerste twee maanden 75% en de resterende 22 maanden 70% van het loon (€ 4.875,72 bruto inclusief 17,05% IKB, is in totaal € 82.399,67). Daarnaast ontvangt [werknemer] op grond van artikel 10.2 van de cao een aanvullende uitkering van € 17.524,92 (tijdens fase 1 20% en tijdens fase 2 10% van de grondslag ad € 4.868,04 (het gemiddelde loon over de periode 1 oktober 2025 tot 1 oktober 2026 inclusief 17,05% IKB)). Dat betekent dat zij gedurende die periode € 17.092,64 bruto aan inkomen verliest.
Gedurende het ontvangen van een WW-uitkering bouwt [werknemer] geen pensioen op. [werknemer] dient dit daardoor zelf te betalen. Uitgaande van twee jaren kost dit haar € 1.368,00 (2 x € 684,00). Alles bij elkaar opgeteld betreft dit een totaal inkomensverlies van € 24.460,64 bruto.
4.11.
Gemeente Roosendaal zal dus worden veroordeeld tot betaling van deze billijke vergoeding.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
In het rapport van de LKOG is geadviseerd voor [werknemer] , indien gewenst, hulp in te schakelen met betrekking tot het verwerken van de door haar als traumatisch ervaren periode. De kantonrechter is van oordeel dat het handelen van Gemeente Roosendaal onnodig psychisch leed heeft veroorzaakt bij [werknemer] , waardoor zij immateriële schade heeft geleden. [werknemer] heeft onvoldoende onderbouwd hoe zij tot een bedrag van € 40.000,00 is gekomen. De kantonrechter schat om die reden de schade op € 3.000,00.
Vergoeding beschikbaarheidsdiensten
4.13.
De kantonrechter wijst dit verzoek af omdat het onvoldoende is onderbouwd. Uit de stukken is niet gebleken dat [werknemer] een dergelijke beschikbaarheidsdienst toegewezen heeft gekregen, noch dat zij bijbehorende werkzaamheden buiten werktijd diende uit te voeren.
Eindafrekening
4.14.
[werknemer] verzoekt te bepalen dat Gemeente Roosendaal gehouden is per datum ontbinding arbeidsovereenkomst over te gaan tot afrekening volgens de wet. Hoewel niet is onderbouwd dat Gemeente Roosendaal daartoe niet vrijwillig zal overgaan, is hiertegen geen verweer gevoerd. Dit tegenverzoek wordt om die reden toegewezen.
Vergoeding kosten rechtsbijstand
4.15.
Het tegenverzoek van [werknemer] om Gemeente Roosendaal te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van € 3.700,00 wordt afgewezen. Een vergoeding van volledige proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is niet gebleken.
4.16.
Gemeente Roosendaal krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden. [6]
4.17.
De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van Gemeente Roosendaal, omdat Gemeente Roosendaal overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Gemeente Roosendaal. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 577,00 aan salaris gemachtigde, plus de nakosten en de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.18.
Als Gemeente Roosendaal het verzoek intrekt, zal Gemeente Roosendaal de proceskosten van [werknemer] moeten betalen.
4.19.
De proceskosten in het tegenverzoek komen eveneens voor rekening van Gemeente Roosendaal, omdat Gemeente Roosendaal overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Gemeente Roosendaal. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
stelt Gemeente Roosendaal in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 27 mei 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,
Voor het geval Gemeente Roosendaal het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,
5.3.
veroordeelt Gemeente Roosendaal in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
Voor het geval Gemeente Roosendaal het verzoek binnen die termijn intrekt:
5.4.
veroordeelt Gemeente Roosendaal in de proceskosten van € 721,00 (€ 517,00 plus € 144,00 aan nakosten), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
op het tegenverzoek
5.5.
veroordeelt Gemeente Roosendaal om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 28.901,86 bruto,
5.6.
veroordeelt Gemeente Roosendaal om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 24.460,64 bruto,
5.7.
veroordeelt Gemeente Roosendaal om aan [werknemer] een immateriële schadevergoeding te betalen van € 3.000,00,
5.8.
veroordeelt Gemeente Roosendaal om aan [werknemer] te betalen een aanvullende en na-wettelijke uitkering, althans een passende regeling te treffen conform de cao Gemeenten met betrekking tot de aanvullende en na-wettelijke uitkering,
5.9.
veroordeelt Gemeente Roosendaal na beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan tot wettelijke afrekening, waaronder de niet genoten verlof-/vakantiedagen en IKB,
5.10.
veroordeelt Gemeente Roosendaal in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.11.
veroordeelt Gemeente Roosendaal tot betaling van de nakosten en de kosten van betekening als Gemeente Roosendaal niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.12.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2. tot en met 5.11. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad [7] ,
5.13.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

2.CRvB 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216 en CRvB 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1549.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
4.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (
6.Artikel 7:686a lid 6 BW.
7.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.