ECLI:NL:RVS:2010:BM3243
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen en beoordeling verwijtbaarheid werkgever
Bij besluit van 12 oktober 2006 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellant een boete van € 8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat appellant geen werkgever was in de zin van de Wav.
De minister en appellant gingen in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant wel als werkgever moet worden aangemerkt, gelet op vaste jurisprudentie en de ruime definitie in de Wav. Appellant had onvoldoende maatregelen getroffen om overtreding van de Wav te voorkomen, ondanks uitbesteding van distributie aan een dochterbedrijf.
De Afdeling overwoog dat de minister de boetenormbedragen in redelijkheid heeft vastgesteld en dat het evenredigheidsbeginsel geldt bij boeteoplegging. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn werd de boete met 10% gematigd tot € 7.200. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het besluit van 31 augustus 2007 herroepen en het besluit van 12 oktober 2006 herroepen voor zover de boete werd gehandhaafd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant. De Afdeling stelde het boetebedrag vast en bepaalde dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, waarmee finale geschilbeslechting werd bereikt.
Uitkomst: De boete van € 8.000 wordt gematigd tot € 7.200 en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.