ECLI:NL:RVS:2013:BZ9021
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken nieuwe feiten
De minister heeft op 6 februari 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde dit besluit op 27 juni 2012 onterecht en vernietigde het, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat toetsing van een nieuw besluit van gelijke strekking aan een eerder besluit slechts mogelijk is indien er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die het eerdere besluit kunnen beïnvloeden. De vreemdeling voerde aan dat hij als lid van de Hazara-bevolkingsgroep in de Afghaanse provincie Ghazni een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro. Hiervoor overhandigde hij rapporten en artikelen, maar deze toonden geen wezenlijke verslechtering ten opzichte van het eerdere besluit.
Ook de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan werd aangevoerd als verslechterd, maar de Raad concludeert dat de overgelegde stukken geen zwaarwegende gronden bieden om aan te nemen dat er een reëel risico bestaat op ernstige bedreiging bij terugkeer. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of relevante wetswijzigingen is toetsing van het besluit van 6 februari 2012 niet aan de orde.
De Raad verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.