ECLI:NL:RVS:2016:743
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling in stand blijven rechtsgevolgen afwijzing verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluiten van 31 juli 2013 aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen afgewezen. De daarop volgende bezwaren werden op 27 februari 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde deze besluiten op 2 juli 2015 gegrond en vernietigde ze, met de opdracht aan de staatssecretaris nieuwe besluiten te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de besluiten niet in stand liet. De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris terecht het toezichtsvereiste hanteert dat vreemdelingen niet langer dan drie maanden buiten beeld mogen zijn bij de in de regeling genoemde instanties, en dat de periode van drie jaar die de staatssecretaris hanteert een nadere invulling is ten gunste van de vreemdeling.
Verder werd geoordeeld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt, mede omdat zij hun verblijf hebben geïntensiveerd zonder vergunning en geen onoverkomelijke terugkeerverschillen zijn aangetoond. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de rechtsgevolgen niet in stand liet, en bepaalde dat deze rechtsgevolgen volledig in stand blijven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van de afwijzende besluiten blijven volledig in stand en het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard.