ECLI:NL:RVS:2016:991
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vertegenwoordiging en openbaarmaking op grond van de Wob
De appellant heeft een Wob-verzoek ingediend bij de korpschef van politie voor openbaarmaking van documenten met betrekking tot een geseponeerde strafzaak. De korpschef heeft een deel van de documenten geanonimiseerd verstrekt en de rest geweigerd op grond van het belang van de opsporing en vervolging.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk omdat de machtiging van zijn gemachtigde onvoldoende specifiek zou zijn. De Raad van State oordeelt echter dat de algemene machtiging voldoende specifiek is om de vertegenwoordigingsbevoegdheid te bepalen en dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en behandelt het beroep inhoudelijk. De Afdeling oordeelt dat de korpschef terecht de niet-verstrekte informatie heeft geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob, omdat het belang van de opsporing en vervolging zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond verklaard; het griffierecht wordt terugbetaald.