ECLI:NL:RVS:2017:1621
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging definitieve vaststelling nihil kinderopvangtoeslag 2009 wegens onvoldoende bewijs kostenbetaling
Appellante ontving in 2009 een voorschot kinderopvangtoeslag voor opvang van haar vier kinderen via een gastouderbureau. De Belastingdienst stelde het voorschot in 2013 definitief op nihil wegens het ontbreken van een overeenkomst die voldeed aan de eisen en het ontbreken van bewijs van gemaakte en betaalde kosten.
Appellante voerde aan dat de Belastingdienst onder curatele stond en dat de termijn voor definitieve vaststelling was verstreken, maar deze bezwaren werden verworpen. De Afdeling oordeelde dat de termijn van vijf jaar na het toeslagjaar geldt voor het vaststellen van een lagere toeslag dan het laatst toegekende voorschot, wat hier niet het geval was.
Verder stelde appellante dat zij de kosten had betaald, onder meer contant, en dat de eigen bijdrage ook uit huishoudkosten bestond. De rechtbank en de Afdeling oordeelden dat zij dit onvoldoende had aangetoond, mede omdat bankafschriften geen verband met de kosten toonden en de eigen bijdrage niet als schenking kon worden beschouwd.
De Afdeling concludeerde dat de Belastingdienst de toeslag terecht definitief op nihil heeft vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag op nihil wordt bevestigd.