ECLI:NL:RVS:2018:1553
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilvaststelling kinderopvangtoeslag 2012 wegens onvoldoende bewijs kostenbetaling
Appellante maakte in 2012 gebruik van kinderopvang via een gastouderbureau en ontving daarvoor voorschotten kinderopvangtoeslag en een tegemoetkoming van de gemeente Amsterdam. De Belastingdienst stelde bij besluit de toeslag definitief vast op nihil omdat de door appellante overgelegde stukken elkaar tegenspraken en zij geen definitieve afrekening van de gemeente had overgelegd.
Appellante voerde aan dat de Belastingdienst niet bevoegd was om binnen de wettelijke termijn de toeslag nadelig te herzien en dat zij wel degelijk de kosten had betaald, onderbouwd met jaaropgaven en betalingsbewijzen. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren. De termijn van vijf jaar voor herziening was niet overschreden en het bewijs van betaling was onvoldoende, mede omdat het voorschot van de Belastingdienst lager was dan appellante stelde en een deel van de vermeende betalingen niet aan de kinderopvang kon worden toegerekend.
Verder oordeelde de Afdeling dat de wetgever niet vereist dat de ouder zelf de kosten moet maken, maar wel dat de kosten daadwerkelijk door de ouder zijn gedragen. Het betoog dat kosten als schenking moesten worden beschouwd werd eveneens verworpen. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de nihilvaststelling van de kinderopvangtoeslag 2012 wegens onvoldoende bewijs van betaling.