ECLI:NL:RVS:2018:1792
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid asielaanvragen statushouders Bulgarije wegens ontbreken reëel risico schending artikel 3 EVRM
De vreemdelingen, een gezin met minderjarige kinderen, hadden asielaanvragen ingediend in Nederland, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij in Bulgarije als statushouders een verblijfsvergunning hadden gekregen. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De kernvraag was of terugkeer naar Bulgarije een situatie oplevert die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM, dat foltering en onmenselijke behandeling verbiedt. De vreemdelingen stelden dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, onder meer door onvoldoende bescherming tegen vreemdelingenhaat en racisme, slechte toegang tot huisvesting, werk en zorg.
De staatssecretaris betoogde dat statushouders in Bulgarije dezelfde rechten hebben als Bulgaarse staatsburgers en dat er geen sprake is van officiële onverschilligheid. De Raad van State oordeelde dat de feitelijke situatie moeilijk is, maar niet zodanig dat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bestaat. De vreemdelingen hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen adequate zorg kunnen krijgen of dat de Bulgaarse autoriteiten niet kunnen of willen helpen.
De Raad bevestigde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de vreemdelingen hun rechten in Bulgarije zelf moeten effectueren. De grieven faalden en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de asielaanvragen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens ontbreken van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Bulgarije.