ECLI:NL:RVS:2018:3823
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen poort in erfafscheiding na vergunningverlening
Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Oss om handhavend op te treden tegen een poort in de erfafscheiding op een nabijgelegen perceel, omdat zij meende dat deze illegaal was geplaatst en dit tot parkeerproblemen leidde. Het college wees dit verzoek in eerste instantie af, omdat het geen overtreding zag. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat voor het maken van een uitweg een omgevingsvergunning vereist was, die ontbrak.
Na diverse procedurele stappen, waaronder een beroep wegens niet tijdig beslissen, nam het college uiteindelijk een nieuw besluit waarin het handhavingsverzoek opnieuw werd afgewezen. Ditmaal was een omgevingsvergunning verleend, waardoor de overtreding was beëindigd. Appellante voerde aan dat het college onzorgvuldig had gehandeld en dat zij recht had op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen, maar de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak verwierpen deze stelling.
De Afdeling oordeelde dat een ingebrekestelling ontbrak, waardoor geen dwangsom verschuldigd was. Tevens stelde de Afdeling vast dat het college terecht handhavend optreden weigerde omdat de overtreding op het moment van het nieuwe besluit niet meer bestond. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het handhavingsbesluit van 25 oktober 2017 wordt afgewezen.