ECLI:NL:RVS:2020:942
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens illegaal seksbedrijf zonder vergunning
Bij besluit van 31 maart 2017 legde het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer appellante een last onder dwangsom op wegens het zonder vergunning uitoefenen van een seksbedrijf in haar woning. Na overtreding werd een dwangsom van €10.000 per overtreding, met een maximum van €50.000, opgelegd. De politie constateerde op 9 mei 2018, na telefonisch contact naar aanleiding van een advertentie, dat appellante de persoon was die het seksbedrijf aanbood.
De burgemeester vorderde de dwangsom in en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij voerde onder meer aan dat de bestuurlijke rapportage summier was, zij niet als prostituee werkzaam was en dat de bevoegdheid tot invordering was verjaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante artikel 3:3, eerste lid, van de APV heeft overtreden. De bestuurlijke rapportage voldeed aan de eisen van een deugdelijke vaststelling van feiten. De invordering van de dwangsom was tijdig en de burgemeester had voldoende rekening gehouden met bijzondere omstandigheden, onder meer door een betalingsregeling aan te bieden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom bevestigd.