ECLI:NL:RVS:2021:683
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens ernstige vermoedens gevaar openbare orde
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen af op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat ernstige vermoedens bestonden dat appellant een gevaar vormde voor de openbare orde. Dit werd mede gebaseerd op het feit dat er ten tijde van de besluiten drie strafzaken tegen appellant openstonden.
Appellant stelde dat de onschuldpresumptie was geschonden omdat de strafrechtelijke procedure nog liep en dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met een vonnis in zijn strafzaak. De Afdeling oordeelde dat het enkele vermoeden van schuld geen schending van de onschuldpresumptie vormt en dat toetsing plaatsvindt op basis van feiten en recht op het moment van het bestuursbesluit. Het vonnis van de strafrechter was daarom niet relevant voor de beoordeling van het naturalisatieverzoek.
Verder voerde appellant aan dat vanwege zijn psychotische stoornis en het vonnis dat hem de feiten niet kon toerekenen, de staatssecretaris had moeten afwijken van het beleid op grond van artikel 10 RWN Pro. De Afdeling verwierp dit en stelde dat deze omstandigheid geen bijzondere reden vormt om af te wijken van het beleid, omdat ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde op de peilmomenten aanwezig waren.
Een aanvullend betoog dat artikel 10 RWN Pro in strijd zou zijn met het Verdrag betreffende de status van staatlozen werd door de Afdeling buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd wegens ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde.