ECLI:NL:RVS:2022:1358
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing Nederlanderschap wegens taakstraf en openbare orde
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek van de wederpartij om het Nederlanderschap te verkrijgen af op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat ernstige vermoedens bestonden dat hij een gevaar vormde voor de openbare orde. Dit was gebaseerd op een taakstraf van 12 uur wegens wederspannigheid, opgelegd in mei 2017 en voltooid in juli 2017. Het verzoek werd ingediend binnen de rehabilitatietermijn van vijf jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en oordeelde dat de taakstraf voor een eenvoudig delict was opgelegd en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden, waaronder de financiële situatie van de wederpartij en de mogelijkheid dat het OM hem een keuze bood tussen een geldboete en taakstraf. De rechtbank bepaalde dat de staatssecretaris het Nederlanderschap moest verlenen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat het beleid uit de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap voorschrijft dat iedere taakstraf, ongeacht duur of aard, leidt tot afwijzing wegens gevaar voor de openbare orde, tenzij zeer bijzondere omstandigheden worden aangetoond. De staatssecretaris stelde dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak had voorzien en dat de beoordeling aan hem toekomt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de wederpartij aannemelijk had gemaakt dat zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder betalingsonmacht, een rol speelden bij de keuze voor een taakstraf in plaats van een geldboete. Dit vormde een zeer bijzondere omstandigheid die afwijking van het beleid rechtvaardigt. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris en bepaalde dat de staatssecretaris het bezwaar opnieuw moet beoordelen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe beoordeling.