ECLI:NL:RVS:2024:3604
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- A. Kuijer
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens terroristische veroordelingen ondanks betwisting Afghaanse nationaliteit
Appellant, geboren in 1992 in Kabul en sinds 1999 Nederlander, werd zijn Nederlanderschap ontnomen op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap vanwege onherroepelijke veroordelingen voor terroristische misdrijven. De staatssecretaris baseerde zich op twee strafvonnissen uit 2016 en 2020, waarbij appellant tot gevangenisstraffen van respectievelijk drie en tien jaar werd veroordeeld.
Appellant voerde aan dat de intrekking onrechtmatig is omdat hij mogelijk staatloos is geworden doordat hij de Afghaanse nationaliteit zou hebben verloren. Hij stelde dat de staatssecretaris dit had moeten onderzoeken en dat een gegrond vermoeden bestond dat hij niet langer de Afghaanse nationaliteit bezit. De Raad oordeelde dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij de Afghaanse nationaliteit niet meer heeft, wat niet is gelukt. Een verzoek tot afstand van de Afghaanse nationaliteit was ingediend, maar dit leidde niet tot intrekking.
Verder betoogde appellant dat de intrekking discriminerend is en dat de staatssecretaris een uitgebreidere actualiteitstoets had moeten uitvoeren, mede gezien zijn positieve ontwikkelingen en de gevolgen van uitzetting. De Raad verwierp deze argumenten, stellende dat de intrekking niet discriminerend is en dat de staatssecretaris voldoende rekening heeft gehouden met de actuele situatie, waarbij het gevaar voor de nationale veiligheid blijft bestaan. De intrekking blijft in stand en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wegens terroristische veroordelingen blijft in stand.