Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[dochter] , geboren op [geboortedatum] 2004, V-nummer: [V-nummer] , dochter,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
ProcesverloopBij afzonderlijke besluiten van 18 maart 2022 (de bestreden besluiten), genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft verweerder eisers opgedragen om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Bulgarije.
Overwegingen
13. De rechtbank overweegt dat indien komt vast te staan dat Bulgarije in nationale wetgeving heeft bepaald dat intrekking of beëindiging van de vluchtelingenstatus kan plaatsvinden op andere gronden dan is bepaald in het Vluchtelingenverdrag en/of de Kwalificatierichtlijn, dit een inperking is van de bescherming die eisers aan hun status ontlenen en mogelijk in strijd is met het Vluchtelingenverdrag en/of de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank acht het, zoals ook besproken ter zitting, noodzakelijk om zich hier nader van te vergewissen. Verweerder heeft ter zitting terecht aangegeven dat het dan ook relevant is om vast te stellen hoe de procedure is ingericht als op deze nationaalrechtelijke grond wordt overgegaan tot intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus. Indien in deze procedure een individuele beoordeling plaatsvindt van de vraag of eisers -nog steeds- internationale bescherming behoeven, is het relevant of bij deze beoordeling wordt uitgegaan van de eerder verleende status.
14. Voorstelbaar is dat indien enkel wordt geverifieerd of de omstandigheid dat eisers hun identiteitsdocument en/of verblijfstitel hebben laten verlopen en/of niet tijdig hebben vernieuwd betekent dat zij niet langer bescherming wensen en niet tot intrekking/beëindiging wordt overgegaan indien eisers verklaren wél bescherming te wensen, eisers eenvoudig hun status kunnen behouden en hun verblijfsrecht en identiteitsdocumenten kunnen hernieuwen.
Indien in een dergelijke procedure echter wordt aangenomen, zonder eisers hierover te horen, dat zij door vertrek na statusverlening en/of niet verlengen en/of niet hernieuwen van hun identiteitsdocument en/of verblijfsdocument, impliciet afstand hebben gedaan van hun status en een nieuwe aanvraag moet worden ingediend die zal worden behandeld als ware nimmer een status verleend, komt de vraag op in hoeverre deze nationale regeling afbreuk doet aan het uitgangspunt dat eisers hun rechten als statushouders in Bulgarije zelf kunnen en moeten effectueren. Dit zal temeer gelden indien in deze laatste situatie een opvolgde aanvraag om bescherming moet worden ingediend en nieuwe elementen of bevindingen moeten worden aangedragen om te voorkomen dat niet-ontvankelijk verklaring van deze opvolgende aanvragen volgt.
15. De rechtbank zal in dat geval ook de vraag moeten beantwoorden of de verplichting dat een statushouder zich tot de autoriteiten in de statusverlenende lidstaat moet wenden indien hij zijn rechten niet zelf kan effectueren, zo ver strekt dat geklaagd moet worden dat een nationale wettelijke regeling in strijd is met het Verdragsrecht en/of het Unierecht. Het uitgangspunt is dat in de statusverlenende lidstaat moet worden geklaagd als rechten niet zonder meer kunnen worden geëffectueerd. Doorgaans wordt deze verplichting aangenomen indien statushouders “op papier” dezelfde rechten en verplichtingen hebben als de onderdanen van de statusverlenende lidstaat, maar statushouders aanvoeren dat zij hierbij in de praktijkproblemen hebben ervaren of verwachten te zullen gaan ervaren. Deze situatie verschilt aanmerkelijk van de situatie als komt vast te staan dat Bulgarije in een nationaalrechtelijke wettelijke bepaling een grond voor intrekking of beëindiging van de vluchtelingenstatus heeft neergelegd die niet verenigbaar is met het Verdragsrecht en/of Unierecht. Het is de vraag of van een individuele verzoeker gevergd kan worden om rechten te effectueren als dit betekent dat geklaagd moet worden dat een nationale wettelijke bepaling in strijd is met het Unierecht. Na uitputting van de nationale rechtsmiddelen lijkt het weinig zinvol om bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een klacht in te dienen hierover omdat het EHRM niet bevoegd is om zich uit te laten over de uitleg van Unierecht.
6. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 7 in de tussenuitspraak heeft overwogen is de vraag of eisers thans nog beschikken over de vluchtelingenstatus en of zij die ook zullen behouden na terugkeer naar Bulgarije de rechtsvraag die de rechtbank het eerst zal moeten beoordelen.
7. De rechtbank zal een nader onderzoek verrichten naar de gestelde vrees van eisers dat zij na terugkeer in Bulgarije ofwel niet langer zullen worden aangemerkt als statushouder, of wel niet in staat zullen zijn hun rechten zelf te effectueren. Omdat eisers in wezen stellen dat zij na terugkeer in een situatie zullen geraken die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zal de rechtbank niet volstaan met het gegrond verklaren van het beroep. Het verbod op refoulement is absoluut, zodat ook de rechtbank zich moet vergewissen van de mogelijke gevolgen van verplichte terugkeer naar Bulgarije en een “arguable claim”, zoals eisers die in onderhavige procedure naar voren hebben gebracht, actief en grondig moet onderzoeken. De rechtbank zal zich daarom, ondanks dat de bewijslast voor de besluiten bij verweerder ligt, zelf wenden tot de Bulgaarse autoriteiten om de eerder geformuleerde vragen voor te leggen en zodoende zich ervan te vergewissen dat eisers gevrijwaard zullen blijven van een schending van hun grondrechten zoals vastgelegd in artikel 4 Handvest Pro en artikel 3 EVRM Pro.
thansvan toepassing is. Indien de rechtbank de datum van het indienen van een verzoek om internationale bescherming in Nederland als peildatum zou nemen is de beoordeling van het artikel 3 EVRM Pro-/4 Handvest-risico niet adequaat. De rechtbank moet immers beoordelen of er een reëel en voorzienbaar risico bestaat dat eisers
na terugkeernaar Bulgarije in een met artikel 3 EVRM Pro-/4 Handvest-strijdige situatie terecht zullen komen. Ook indien dit meebrengt dat verzoekers die op het moment dat zij in Nederland een asielaanvraag indienen beschikken over een geldige verblijfsvergunning maar deze verblijfsvergunning ten tijde van het onderzoek ter zitting is verlopen zal de rechtbank deze 3 EVRM/ 4 Handvest-beoordeling daarom op deze wijze verrichten.
zulleneffectueren en dus geen intentie te hebben om hun identiteitsdocumenten en/of verblijfsvergunning te verlengen. Het komt de rechtbank onwaarschijnlijk voor dat de Bulgaarse autoriteiten het verschoonbaar zullen achten dat statushouders die in Bulgarije door feitelijk vertrek geen rechten aan hun status
kúnnenverlenen, het niet tijdig verlengen van deze rechten verschoonbaar zullen achten indien hen wordt opgedragen en dus wordt verplicht om hun rechten alsnog in Bulgarije te effectueren. De rechtbank gaat er daarom van uit dat indien eisers zullen terugkeren naar Bulgarije, er een aanmerkelijke kans is dat de Bulgaarse autoriteiten de bevoegdheid die voortvloeit uit nationale wetgeving omdat aan de voorwaarden hiervoor zal zijn voldaan, zullen aanwenden en zullen overgaan tot intrekking of beëindiging van de aan eisers verleende vluchtelingenstatus op het moment dat eisers zich tot de autoriteiten zullen wenden voor de verlenging dan wel vernieuwing van identiteitsdocumenten en/of verblijfsvergunningen. De rechtbank gaat er hierbij dus van uit dat eisers, gelet op de concrete feiten en omstandigheden van deze procedure, niet met succes zullen kunnen betogen dat het niet verlengen van hun identiteitsdocumenten en verblijfsvergunningen verschoonbaar is. Anders dan verweerder overweegt de rechtbank dat hiermee wel degelijk een intrekkingsgrond is gecreëerd. Weliswaar is er geen sprake van een automatisme in die zin dat het niet (tijdig) verlengen van een identiteitsdocument en/of een verblijfsvergunning van rechtswege tot intrekking dan wel beëindiging van de status leidt. De beoordeling die echter op grond van de nationale Bulgaarse wetgeving plaatsvindt heeft geen betrekking op de verlenings- dan wel intrekkingsgronden maar uitsluitend op de redenen van niet (tijdige) verlenging van een identiteitsdocument en/of een verblijfsvergunning en of de niet (tijdige) verlenging verschoonbaar is. Gelet op de bovenstaande overwegingen en de (on)mogelijkheid om te onderbouwen dat sprake is van verschoonbare redenen van niet (tijdige) verlenging kwalificeert de rechtbank de bevoegdheid zoals opgenomen in Artikel 42, paragraaf 5, van de LAR dan ook als een intrekkingsgrond voor internationale bescherming. Deze bepaling komt er immers feitelijk op neer dat indien statushouders doorreizen naar een andere lidstaat om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en niet binnen de gestelde termijn hun identiteitsdocument en/of een verblijfsvergunning verlengen, bij terugkeer naar Bulgarije worden geconfronteerd met de intrekking dan wel beëindiging van de eerder verleende internationale bescherming en de daarbij behorende status. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het niet (tijdig) verlengen van een identiteitsdocument en/of een verblijfsvergunning slechts “als indicatie” dat niet langer bescherming wordt gewenst wordt beschouwd. De te volgen procedure zoals die blijkt uit de door de Bulgaarse autoriteiten gegeven antwoorden ziet enkel op het vaststellen of sprake is van verschoonbare redenen van niet (tijdige) verlenging van een identiteitsdocument en/of een verblijfsvergunning. Uit de antwoorden blijkt niet dat de actuele beschermingsbehoefte wordt beoordeeld. De individuele beoordeling waar verweerder op wijst, zo leidt de rechtbank af uit de door de Bulgaarse autoriteiten verschafte informatie, heeft dus geen betrekking op de vraag of statushouders nog langer prijsstellen op de eerder geboden internationale bescherming. De rechtbank vindt steun voor deze redenering in de EUAA-publicatie waar verweerder een beroep op doet. De aanname dat het niet (tijdig) verlengen van een identiteitsdocument en/of een verblijfsvergunning een indicatie is dat niet langer wordt prijs gesteld op internationale bescherming is verdisconteerd in deze nieuw gecreëerde bevoegdheid. Op grond van deze aanname vindt er in de intrekkingsprocedure klaarblijkelijk geen onderzoek naar de beschermingsbehoefte plaats. Statushouders van wie de status wordt ingetrokken dan wel beëindigd op grond van deze nationale bevoegdheid dienen daardoor net als statushouders van wie de intrekking plaatsvindt op grond van de in het Vluchtelingenverdrag of Kwalificatierichtlijn genoemde intrekkingsgronden een opvolgend verzoek om bescherming in te dienen. De omstandigheid dat statushouders die met een dergelijke procedure geconfronteerd worden en wiens internationale bescherming wordt ingetrokken en beëindigd doordat gebruik gemaakt wordt van de nationale intrekkingsgrond een rechtsmiddel hiertegen kunnen aanwenden is onvoldoende waarborg dat zij niet in een met artikel 4 Handvest Pro-strijdige situatie terecht zullen komen. Ten overstaan van de Bulgaarse rechter zal immers in beginsel slechts bepleit kunnen worden dat de redenen van niet (tijdige) verlenging wel verschoonbaar zijn. Gelet op de eerder vastgestelde beschermingsbehoefte kunnen zij niet terugkeren naar hun land van herkomst en gelet op de intrekking van hun status hebben zij in Bulgarije niet langer het genot van de rechten die aan een internationale beschermingsstatus kunnen worden ontleend. De rechtbank acht deze situatie die aldus ontstaat in strijd met onder meer artikel 4 Handvest Pro.
evidentin strijd met het Verdragsrecht en het Unierecht. Een dergelijke flagrante schending van het Verdragsrecht en Unierecht dient te worden uitgesloten.
evidentin strijd is met het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht. Het kan gelet op deze feiten en omstandigheden niet van eisers worden gevergd zich thans naar Bulgarije te begeven om de Bulgaarse rechter te verzoeken de nationale wet buiten toepassing te laten dan wel onverbindend te verklaren en, indien noodzakelijk, in aanvulling op de nationale procedure een klacht in te dienen bij het EHRM. Het EHRM is niet bevoegd om zich uit te laten over de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht.
is ingetrokkenen de Bulgaarse wetgeving geen nationale bevoegdheid en grond bevat om tot intrekking, beëindiging of niet verlengen van internationale bescherming over te gaan die niet is benoemd in het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn, komt de vraag pas weer aan de orde of van Bulgaarse statushouders kan en dus ook mag worden verwacht hun rechten zelf te effectueren in Bulgarije en zich tot de Bulgaarse autoriteiten te wenden indien zij hierbij problemen ondervinden of hierin niet in slagen.
de autoriteiten van de lidstatenvoortvloeien op dit punt en de verwevenheid van integratievoorzieningen met het kunnen effectueren van rechten, heeft te gelden dat verweerder Bulgaarse statushouders thans niet kan opdragen om zich naar Bulgarije te begeven. Om die reden zal de rechtbank ook het onderzoek ter zitting niet voortzetten om thans het Bulgaarse Helsinki Comité te horen en zal de rechtbank zich in de onderhavige procedure ook niet wenden tot de UNHCR. Dat geen sprake is van “welwillende autoriteiten” behoeft ook geen nadere bespreking meer. Uit de beantwoording van de derde vraag blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de Bulgaarse autoriteiten onderkennen dat de nationale wettelijke bevoegdheid om een internationale beschermingsstatus in trekken in strijd is met het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn. Het zal ook voor de Bulgaarse autoriteiten duidelijk zijn dat deze bevoegdheid bovendien een ernstige beperking is op de bescherming die statushouders behoren te genieten nadat is onderzocht en vastgesteld dat bescherming dient te worden geboden. De vluchtelingenstatus is declaratoir, zodat het enkele niet verlengen van een daarop gebaseerd recht zoals het verkrijgen een identiteitsdocument nimmer tot gevolg kan hebben dat de status niet langer voortduurt. Door nieuwe elementen en omstandigheden te moeten aandragen om een inhoudelijke beoordeling van een opvolgend verzoek tot internationale bescherming te verkrijgen nadat de beschermingsbehoefte reeds is vastgesteld, wordt de bescherming die met het verlenen van de eerder verleende status is beoogd volledig tenietgedaan. In dit geval hanteren de Bulgaarse autoriteiten deze terminologie bij terugkerende statushouders indien zij niet tijdig zorgdragen voor het verlengen of vernieuwen van een reeds door de Bulgaarse autoriteiten verstrekt identiteitsdocument of verblijfstitel. Dat de terminologie die Bulgarije hanteert voor een “opvolgend verzoek om bescherming” in overeenstemming is met het Unierecht zoals verweerder onderbouwd heeft aangegeven, doet aan het voorgaande niet af maar is hier dus juist een bevestiging voor. Het is evident dat het aannemen van een dergelijke wettelijke bevoegdheid een indicatie is voor de intentie van de Bulgaarse autoriteiten, welk beeld bovendien past bij het jarenlang niet verschaffen van basale integratievoorzieningen.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op opnieuw te beslissen op de verzoeken om internationale bescherming met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.897,50.