Uitspraak
Datum uitspraak: 16 november 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep van een inburgeringsplichtige tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De minister had een boete opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en bepaald dat de lening voor de inburgeringscursus moest worden terugbetaald. De rechtbank had het bezwaar tegen het boetebesluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding en het bezwaar tegen het terugbetalingsbesluit deels ongegrond.
De appellant voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege haar psychische toestand en dat de minister bij het terugbetalingsbesluit geen evenredigheidsbeoordeling had verricht. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de minister bij het vaststellen van de terugbetalingsverplichting de belangen moet afwegen en de nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn. De minister heeft dit nagelaten, waardoor het besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.
De Afdeling vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op het terugbetalingsbesluit, en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de evenredigheidsbeoordeling. Tevens wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot terugbetaling van de lening wordt vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.