ECLI:NL:RVS:2022:873
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.J.M. Baldinger
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Herziening boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na matiging door Raad van State
In deze bestuursrechtelijke zaak is aan appellante een boete van €64.000 opgelegd wegens het niet binnen 48 uur kunnen overleggen van kopieën van identiteitsbewijzen van arbeidskrachten, in strijd met artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete werd bevestigd door de staatssecretaris en de rechtbank, maar appellante ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de Inspectie SZW terecht geen cautie hoefde te verlenen aan de werknemer die namens appellante verklaarde, en dat de boete niet onrechtmatig is opgelegd. Wel wordt vastgesteld dat de regelgeving omtrent de verificatieplicht duidelijk was en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidskrachten uit vrijgestelde landen kwamen.
De Raad van State neemt mee dat appellante voorafgaand aan de overtredingen inspanningen heeft verricht, zoals een Waadi-check en het controleren van identiteitsbewijzen, en na de overtredingen haar werkwijze verbeterde. Gezien de samenhang van de acht overtredingen en het feit dat deze voortkomen uit één handelwijze, wordt de boete gematigd met 50%. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de boete vanwege financiële omstandigheden verder gematigd moet worden.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep gegrond verklaard, en de boete vastgesteld op €32.000. Tevens worden de proceskosten aan appellante toegekend.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van artikel 15a Wav wordt gematigd van €64.000 naar €32.000.