Uitspraak
Datum uitspraak: 18 januari 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
De minister van Infrastructuur en Waterstaat verleende op 24 oktober 2019 een watervergunning aan Coöperatie 7LL U.A. voor het lozen van stoffen in de Maas afkomstig van de mestverwerkingsinstallatie Zevenellen. Het college van gedeputeerde staten Limburg verleende op 7 november 2019 een omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van de installatie. Stichting Dorpsraad Buggenum en anderen stelden beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep betoogden zij onder meer dat een milieueffectrapportage (MER) had moeten worden opgesteld vanwege risico’s voor de volksgezondheid en milieu.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de activiteiten onder categorie D18.1 van het Besluit m.e.r. vallen, maar het bevoegd gezag heeft op basis van een aanmeldnotitie en mer-beoordelingsbesluit terecht geconcludeerd dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. De bezwaren over emissies van antibiotica en micro-organismen worden verworpen omdat de installatie diverse technische maatregelen toepast, zoals gesloten silo’s, dampretoursystemen, hygiënisatie en luchtwassers. Ook de gevreesde stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Leudal is onvoldoende relevant voor het belang van de appellanten.
Verder oordeelt de Afdeling dat de omgevingsvergunning voldoende emissiebeperkende voorschriften bevat, waaronder mechanische ventilatie met luchtwassers en biofilters, en dat de watervergunning voldoet aan de eisen van beste beschikbare technieken (BBT) en lozingseisen. Monitoring van voorzorgsparameters is verplicht gesteld. De Afdeling bevestigt het bestreden vonnis en wijst het hoger beroep af, waarbij geen proceskosten worden toegekend.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vergunningverlening en wijst het hoger beroep van Stichting Dorpsraad Buggenum en anderen af.