ECLI:NL:RVS:2023:3490
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld zonder uitzicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Guinee
De vreemdeling met de Guinese nationaliteit werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in bewaring gesteld omdat hij geen rechtmatig verblijf meer had en niet voldeed aan zijn terugkeerverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond, stellende dat er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat uit openbare bronnen bleek dat er in het afgelopen jaar geen uitzettingen naar Guinee hadden plaatsgevonden en dat gedwongen vertrek met een vervangend reisdocument (laissez-passer) momenteel niet mogelijk is.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat medewerking van de vreemdeling aan terugkeer slechts tegen hem kan worden gehouden indien dit van belang is voor het slagen van de uitzetting. Uit informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek bleek dat gedwongen terugkeer naar Guinee met een laissez-passer momenteel niet mogelijk is, waardoor de bewaring van aanvang af onrechtmatig was. De grief van de vreemdeling werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
De bewaring was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing niet nodig was. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding van €3.300 toegekend over de periode van 30 april tot en met 1 juni 2023. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.511, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig vanwege het ontbreken van uitzicht op uitzetting naar Guinee binnen een redelijke termijn, waardoor het hoger beroep gegrond werd verklaard en een schadevergoeding werd toegekend.