ECLI:NL:RVS:2024:2458
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- J. Schipper-Spanninga
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens terroristische misdrijven ondanks beroep ne-bis-in-idem en discriminatie
Appellant, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, werd in 2017 onherroepelijk veroordeeld voor terroristische misdrijven. De staatssecretaris trok daarop in 2019 zijn Nederlanderschap in op grond van artikel 14 lid 2 onder Pro b van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Appellant betoogde dat deze intrekking een dubbele bestraffing oplevert en in strijd is met het ne-bis-in-idembeginsel, alsmede dat sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de intrekking een bestuursrechtelijke maatregel is en geen straf, waardoor het ne-bis-in-idembeginsel niet van toepassing is. Ook is de intrekking niet discriminerend omdat het voorkomen van staatloosheid een zwaarwegende reden vormt voor het onderscheid tussen mono- en bipatriden. De belangenafweging, inclusief de gevolgen voor het Unieburgerschap en persoonlijke omstandigheden, werd als voldoende zorgvuldig en wettelijk gefundeerd beoordeeld.
Appellant voerde aan dat hij geen gevaar meer vormt en wees op deskundigenrapporten en wetenschappelijk onderzoek, maar deze werden onvoldoende overtuigend geacht. De Afdeling bevestigde dat de intrekking proportioneel is gezien de ernst van de feiten en het ontbreken van overtuigend bewijs van re-integratie of gederadicaliseerd gedrag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd.