ECLI:NL:RVS:2025:379
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen opheffing vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 1 januari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling. De rechtbank verklaarde op 31 januari 2025 het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege de omstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) en beval de opheffing met ingang van die datum, inclusief toekenning van schadevergoeding.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de uitspraak van de rechtbank niet uitgevoerd hoeft te worden totdat het hoger beroep is afgerond. De minister beriep zich op het grensbewakingsbelang, omdat uitvoering van de uitspraak zou betekenen dat de vreemdeling toegang krijgt tot het Schengengebied.
De voorzieningenrechter verwees naar eerdere jurisprudentie en oordeelde dat het JCS een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn. Gezien het belang van grensbewaking en ondanks de ingrijpende gevolgen voor de vreemdeling, gaf de voorzieningenrechter het belang van de minister zwaarder gewicht en wees het verzoek om voorlopige voorziening toe.
Hierdoor hoeft de vrijheidsontnemende maatregel niet te worden opgeheven totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel blijft gehandhaafd totdat het hoger beroep is beslist.