Conclusie
: Coöperatie Nij Altoenae Energie Neutraal 2010 U.A.(NAEN), te Nij Altoenae
1.Overzicht
Westlandvan 2011 (zie 6.7 hieronder) gevolgd, inhoudende dat de objectafbakening in de WOZ-beschikking ook voor de aansluitplicht van een netbeheerder bepalend is. Liander verzet zich tegen die geschiluitspraak, verwijzende naar een arrest van de Hoge Raad (zie 6.17 hieronder) over een vergelijkbare verwijzing ter zake van de term ‘inrichting’ in de Wet milieubeheer (Wm), op basis waarvan zij meent dat de netbeheerder en in een klachtprocedure de ACM zo nodig zelf art. 16 Wet Pro WOZ moeten toepassen om het object af te bakenen op basis van de relevante feiten en omstandigheden. Liander stelt dat NAEN misbruik maakt van de wettelijke aansluitplicht per ‘onroerende zaak’, door kunstmatig meer ‘onroerende zaken’ te creëren om aansluitkosten af te wentelen.
vraag 1bevestigend. Anders dan andere, meestal fiscale, wetten, die verwijzen naar ‘de waardevaststelling’ of een vergelijkbare term gebruiken die onmiskenbaar wijst op een ambtelijke vaststelling, verwijst art. 1 E-Wet bij zijn omschrijving van de term ‘aansluiting’ niet naar enige ‘vaststelling’ of beschikking die de ‘onroerende zaak’ bepaalt, maar uitsluitend naar de Wet WOZ zelf, nl. naar ‘een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 (…) Wet waardering onroerende zaken’. Ook de parlementaire toelichtingen op die (belasting)wetten die naar een ambtelijk besluit verwijzen, laten er geen misverstand over bestaan dat het de bedoeling is dat de ‘afnemers’ van het ‘waardegegeven’ van WOZ-beschikkingen gebonden zijn aan die beschikkingen. De parlementaire behandeling van art. 23 E-Wet (aansluitplicht) daarentegen bevat geen aanwijzingen dat de wetgever, in afwijking van zijn wettekst, naar de WOZ-beschikking wilde verwijzen in plaats van naar de wet; eerder van het tegendeel: de verwijzing in art. 1 E-Wet naar art. 16 Wet Pro WOZ is in een laat stadium van de parlementaire behandeling, kennelijk om doelmatigheidsredenen overgenomen uit een vrijwel identieke verwijzing in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) naar art. 16 Wet Pro WOZ voor de term ‘aansluiting’ voor de toepassing van de regulerende energiebelasting. De Wbm bevat een identieke verwijzing naar art. 16 Wet Pro WOZ voor de ‘aansluiting’ voor de heffing van de belasting op leidingwater, en een vergelijkbare verwijzing voor de term ‘inrichting’ voor de afvalstoffenbelasting, die eveneens naar de wet (de Wm) en niet naar een eventuele vergunning voor die ‘inrichting’ op basis van de Wm verwijst. De Hoge Raad heeft dan ook zowel ter zake van die verwijzing in de Wbm (expliciet) geoordeeld dat de inspecteur voor de afvalstoffenbelasting zelf de ‘inrichting’ moet bepalen en niet gebonden is aan een vergunning, als (impliciet) geoordeeld, ter zake van de verwijzing in de Wbm naar art. 16 Wet Pro WOZ voor de belasting op leidingwater (die per ‘aansluiting’ wordt geheven) dat de inspecteur en de rechter zelf art. 16 Wet Pro WOZ moeten toepassen.
waarderingen niet de objectafbakening in geschil, dan heeft de rechter zich niet uitgelaten over die objectafbakening en bestaat dus geen gevaar van tegenstrijdige rechtspraak; dan schept zijn uitspraak mijns inziens voor de aansluitplicht niet meer dan hetzelfde weerlegbare vermoeden als de oorspronkelijke beschikking c.q. de uitspraak op bezwaar van de gemeente.
subsidiairdat desondanks in drie gevallen rechtstreeks art. 16 Wet Pro WOZ moet worden toegepast: (i) er is geen WOZ-beschikking; (ii) de wettelijke taakuitoefening van de netbeheerder wordt ernstig belemmerd door de onjuistheid van de WOZ-beschikking; en (iii) misbruik van recht, dat zich voordoet als aansluitelingen proberen de aansluitplicht ten detrimente van de netbeheerder te manipuleren door (a) kunstmatig ‘eigendommen’ te creëren met geen – meer dan bijkomstig – ander doel dan hun aansluitkosten af te wentelen, (b) op een wijze die indruist tegen doel en strekking van de E-Wet, met name het kostenveroorzakingsbeginsel en de netintegriteit. Alsdan moet de term ‘aansluiting’ worden ingevuld - dus art. 16 Wet Pro WOZ worden toegepast - alsof het misbruik zich niet had voorgedaan, door misbruikelijke (rechts)handeling(en) zoals het gekunsteld ‘smurfen’ van onroerende zaken voor de toepassing van art. 23 E-Wet te negeren (eliminatie: alsnog samentellen) of door die (rechts)handelingen te vervangen door de (rechts)handelingen die zouden zijn ondernomen als geen misbruikbedoelingen hadden bestaan en die (wel) de economische realiteit weerspiegelen (substitutie). Deze benadering strookt met de rechtspraak van de Hoge Raad over het verbod op wetsontduiking en die van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over het algemene beginsel van EU-recht dat misbruik van recht verbiedt. De bewijslast van misbruik ligt op de netbeheerder die een aanvraag afwijst.
2.Feiten, geschil en procesverloop
Westland-zaak (zie 6.7 hieronder).
3.De standpunten van Liander en ACM en van derde-partij NAEN
Westland-uitspraak [2] van uw College waarop de ACM zich beroept, is volgens Liander casusgebonden en ziet niet op een zaak zoals de litigieuze omdat in de Westland-zaak niet in geschil was dat de desbetreffende onroerende zaken deel uitmaakten van hetzelfde WOZ-complex. Dat is nu wel in geschil. Veranderingen sinds 2011, en met name de aanleg van grote PV-installaties zoals de litigieuze, noodzaken tot precisering van de Westland-uitspraak.
Westland-uitspraak (zie 6.7. hieronder), er op wijzende dat aansluiting bij de WOZ-beschikking in het belang is van de rechtszekerheid en uniforme wetstoepassing. Met de invoering van de Wet WOZ werd juist beoogd om de waardebepaling van onroerende zaken en de daaraan ten grondslag liggende objectafbakening uniform, eenduidig en objectief te doen geschieden. Met het oog daarop is die bevoegdheid neergelegd bij alleen de colleges van burgemeester en wethouders. Dat dient de efficiëntie, rechtsgelijkheid en duidelijkheid. Zelfstandige afbakening van WOZ-objecten door de ACM zou bovendien leiden tot een onwenselijke uitbreiding van haar taken, die kan resulteren in willekeur. Dat er situaties kunnen zijn waarin geen WOZ-beschikking voorhanden is, doet in casu niet ter zake, nu aan NAEN wel degelijk WOZ-beschikkingen zijn uitgereikt. Liander heeft geen zichtbare actie ondernomen jegens de gemeente of de Waarderingskamer ter zake van de haar onwelgevallige beschikkingen.
4.Het verzoek om een conclusie
5.Heeft Liander rechtsmiddelen ter zake van WOZ-beschikkingen?
waardevaststelling, [7] die voor netbeheerders echter irrelevant en daarmee juist
zonderbelang is.
6.Wetgeving, wetsgeschiedenis en rechtspraak
b. een ongebouwd eigendom;
c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e. een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd;
f. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel.”
Westland Infra Netbeheer BVterecht een verzoek van een glastuinbouwer om een extra aansluiting had aangemerkt als verzoek om (de duurdere) verzwaring van een bestaande aansluiting: [13]
Doublures in bezwaar– en beroepsprocedures met betrekking tot dezelfde onroerende zaak kunnen het gevolg zijn. Dit is inefficiënt en leidt tot extra kosten, niet alleen voor de overheid als geheel maar ook voor de burger.
Door de invoering van een afzonderlijke wettelijke regeling, die bij invoeringswet van toepassing wordt verklaard voor de verschillende belastingen waarbij het waardebegrip en de objectafbakening overeenstemmen, worden verschillen in de uitvoering en het risico van verschillen in de jurisprudentie over hetzelfde begrip en object zo veel mogelijk voorkomen.
De uniforme, althans brede, toepassing van een waardegegeven vereist evenwel dat de afbakening van het te waarderen object, in casu de onroerende zaak in de zin van artikel 16 van Pro deze wet, overeenstemt met de voor de toepassing van de onderscheidene belastingwetten te hanteren objectafbakening.”
belastingwetten verwijzen onmiskenbaar naar de
beschikking(‘de waardevaststelling’, de ‘vastgestelde waarde’ of ‘de waardebepaling’), dus niet naar de Wet WOZ zelf, en als daaraan twijfel zou kunnen bestaan, zoals ter zake van art. 220a(1) Gemeentewet (zie echter lid 2, dat wél weer verwijst naar ‘de waarde die is vastgesteld’), blijkt uit de parlementaire geschiedenis duidelijk (zie 6.8 hierboven) dat de belastingheffer de WOZ-beschikking moet volgen en niet zelf art. 16 Wet Pro WOZ moet toepassen. Diverse van deze fiscale bepalingen, met name die in de Wet IB 2001, bevatten speciale regelingen voor het geval een WOZ-beschikking ontbreekt, waaruit eveneens volgt dat pas zelf nagedacht mag/moet worden als er geen WOZ-beschikking is.
Ook voor de energiebelasting is dit een bruikbare afbakening. In de meeste gevallen gaat het om woningen, waarbij er sprake is van één aansluiting op aardgas en één aansluiting op elektriciteit. Voor zakelijke gebruikers kan er per locatie sprake zijn van meer dan één leveringspunt van aardgas of elektriciteit. In dat geval kan op grond van de definitie voor de toepassing van de wet sprake zijn van één aansluiting.”
Schiphol-arrest van de Hoge Raad, waarin in geschil was of de gemeente Haarlemmermeer terecht 81 afzonderlijke WOZ-beschikkingen had gegeven ter zake van objecten op de luchthaven: [34]
7.Beantwoording van vraag 1
waardevaststellingrelevant is, maar uitsluitend de objectafbakening, die in art. 16 Wet Pro WOZ staat. Volgens de twee arresten van de Hoge Raad en een Hofuitspraak die er op dit vlak zijn (zie 6.17, 6.18 en 6.19 hierboven), moet dan ook niet enige beschikking gevolgd worden, maar moet rechtstreeks de wetsbepaling worden toegepast waarnaar de Wbm verwijst, i.e. art. 16 Wet Pro WOZ respectievelijk de Wm.
Schiphol-arrest in 6.23 hierboven), zodat verwijzing naar de wet zelf of naar de waardebeschikking op basis van die wet idealiter geen verschil zou moeten maken. Ik meen daarom dat aan de WOZ-beschikking wel een weerlegbaar bewijsvermoeden kan worden ontleend voor de aansluitplicht van netbeheerders. De partij die meent dat bij de objectafbakening voor de netaansluiting de WOZ-beschikking niet moet worden gevolgd omdat zij gebaseerd is op een verkeerde toepassing van art. 16 Wet Pro WOZ, dus op een verkeerde objectafbakening, draagt de last aannemelijk te maken dat de gemeente, gezien de door die partij te stellen en bij betwisting te bewijzen feiten en omstandigheden, de objectafbakening ex art. 16 Wet Pro WOZ verkeerd heeft gedaan.
aansluitelingeen andere afbakening dan die waarop zijn WOZ-beschikking is gebaseerd, dan zal
hijin de klachtprocedure de daartoe nopende feiten en omstandigheden moeten stellen en bij betwisting bewijzen en zal de ACM even zeer zelfstandig art. 16 Wet Pro WOZ moeten toepassen op de door hem vastgestelde feiten.
Schiphol-arrest in 6.23 hierboven), moet uw college mijns inziens in een eventueel beroep tegen het geschilbesluit van de ACM dat besluit volledig toetsen aan de volgens u correcte toepassing van art. 16 Wet Pro WOZ op de vastgestelde feiten van het geval of – indien die feiten nog steeds in geschil zijn – de door u zelf vast te stellen feiten van het geval. Voor zover daarbij sprake is van bewijslastverdeling, neemt mijns inziens de ACM dan de bewijspositie in van de partij die niet in beroep is gekomen tegen het geschilbesluit.
waarderinggaat, maar specifiek over de
objectafbakeningdie in geschil is tussen de netbeheerder en de aansluiteling) ware mijns inziens voor de aansluitplicht het karakter toe te kennen van een onweerlegbaar vermoeden van correcte toepassing van art. 16 Wet Pro WOZ, wellicht behoudens evidente, meteen in het oog springende rechterlijke fouten, die zich mijns inziens zelden of nooit zullen voordoen. Als de procedure voor de gespecialiseerde belastingrechter alleen over de
waarderingging en niet over de objectafbakening zoals die in geschil is tussen de aansluiteling en de netbeheerder, dan heeft die rechter zich dus niet uitgelaten over de objectafbakening in geschil en is er dus geen risico van tegenstrijdige rechtspraak. Alsdan schept de uitspraak van de belastingrechter mijns inziens voor wat betreft die niet-beoordeelde objectafbakening niet meer dan hetzelfde weerlegbare vermoeden als de oorspronkelijke beschikking c.q. de uitspraak op bezwaar van de gemeente.
mismatchdreigt tussen het verzochte aansluitniveau en het volgens doel en strekking van de E-Wet qua netvlak noodzakelijke, althans wenselijke aansluitniveau, maar daarvoor moet art. 16 Wet Pro WOZ dan wel ruimte bieden. Dat zal niet steeds het geval zijn, want art. 16 Wet Pro WOZ heeft een heel ander doel dan netintegriteit en aansluitkostenallocatie, nl. uniforme waardebepaling van onroerende zaken ten behoeve van belastingheffing. Die waardebepaling is volmaakt irrelevant voor de aansluitplicht van netbeheerders. Als ook zelfstandige toepassing van art. 16 Wet Pro WOZ in afwijking van de onjuist geachte WOZ-beschikking de netbeheerders niet helpt, kan alleen een wetswijziging hen helpen, bijvoorbeeld een wijziging in de geest van de (nog) niet uitgevoerde maatregelen besproken in 6.25 tot en met 6.29 hierboven.
8.Vraag 2: voor objectafbakening ex art. 16 Wet Pro WOZ relevante omstandigheden
Termunten-arrest. [51] Hij overwoog:
Schiphol-arrest [56] was in geschil of de gemeente Haarlemmermeer terecht 81 separate WOZ-beschikkingen had genomen ter zake van objecten op de luchthaven of dat deze naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar hoorden. De Hoge Raad gaf als beslissende criteria: (i) een (geografisch) samenhangend geheel met (ii) één organisatorisch doel:
Subsidiair: gevallen waarin art. 16 Wet Pro WOZ toch rechtstreeks moet worden toegepast ondanks binding aan de WOZ-beschikking; misbruik van recht
opzettelijkwordt gecreëerd.
Campina-arrest, [61] waarin redelijke wetstoepassing voorkwam dat werknemers ontslagbescherming werd ontnomen door toepassing, door werkgevers, van een wetsontduikende ‘draaideurconstructie’. De Hoge Raad overwoog:
fraus legis, dat in oorsprong overigens een (Romeins-)civielrechtelijk leerstuk is. Het verbod op
fraus legis(wetsontduiking) wordt al heel lang routineus toegepast tegen wetfrustrerende belastingontwijkingsconstructies. De Hoge Raad heeft het verbod in 2012 voor het belastingrecht als volgt samengevat: [62]
fraus legismoet dus worden voldaan aan (i) een objectief criterium (strijd met doel en strekking van de wet) en (ii) een subjectief criterium (het doorslaggevende oogmerk om belastingheffing te verijdelen). Het rechtsgevolg is dat de transacties waarmee de wet ontdoken werd, worden genegeerd of geherdefinieerd (vervangen) om te komen tot de wetstoepassing die de wetgever wél voor ogen stond in de gegeven werkelijke (economische) verhoudingen. [63]
fraus legismoet worden nagegaan welke motieven de heer Swart, die zowel eigenaar van de loods als directeur van NAEN is, voor het vestigen van drie opstalrechten had. Deze vraag ziet puur op feiten en niet op de toepassing van het recht op de feiten. Ik kan die vraag dus niet beantwoorden. Wel kan ik enige algemene gezichtspunten noemen die nuttig kunnen zijn bij uw eventuele onderzoek naar de motieven van NAEN. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen de volgende aanknopingspunten worden ontleend voor de rechter om een – door de belastingplichtige te ontzenuwen – bewijsvermoeden van misbruikelijke bedoelingen op te vatten: [64]
fraus legisis strijd met doel en strekking van de wet. De vraag is dan in casu of NAEN met het splitsen van haar zonnepanelenpark in drie in plaats van één opstalrecht(en) heeft gehandeld in strijd met doel en strekking van de (aansluitplicht in de) E-Wet en/of art. 16 Wet Pro WOZ als zij geen reëel ander motief had voor het creëren van meer ‘onroerende zaken’ dan aansluitkosten-afwenteling. Dat is een rechtskundige vraag.
AlsNAEN geen ander en meer dan bijkomstig motief had dan kostenafwenteling, meen ik dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Gelet op de kostenveroorzakings- en nondiscriminatiebeginselen die aan de tariefregulering van de E-Wet ten grondslag liggen, kan de wetgever niet bedoeld hebben dat aansluiting van dezelfde productie-installatie naar eigen inzicht aanzienlijk duurder of goedkoper kan worden gemaakt door de zakelijke gerechtigdheid tot die installatie op geduldig papier met alleen dat doel te splitsen of samen te voegen. Door de transporttarievenregeling zouden de volgens de bedoeling van de wetgever door de aansluiteling (NAEN) verschuldigde kosten worden afgewenteld op andere afnemers of leveranciers van elektriciteit die die kosten niet veroorzaakt hebben. Deze opvatting wordt gesteund door de in 6.21 hierboven geciteerde parlementaire geschiedenis van art. 1(6) E-Wet over de aansluiting van windmolenparken op land en de door de regering overwogen, van de Wet WOZ afwijkende regulering van aansluiting van zonneparken (zie 6.25 t/m 6.29 hierboven).
arm’s length(zakelijke derden)verhoudingen tussen de contracterende partijen het risico bestaat van onzakelijke bedoelingen en handelingen zoals een gezamenlijke, overigens zinloze, privaatrechtelijke rechtshandeling met het oog op het behalen van een oneigenlijk publiekrechtelijk voordeel, althans een voordeel ten opzichte van derden. Reeds het eerste gepubliceerde
fraus legis-arrest van de Hoge Raad, het driedagenarrest, [72] betrof een civielrechtelijk gekunsteld opzetje van familieleden onderling om de heffing van successierecht bij het overlijden van één hunner te verijdelen, dat door de rechter dan ook werd gecorrigeerd. Een recent voorbeeld is het flitspartner-arrest: [73] twee personen waren medegerechtigd tot tien onroerende zaken. Zij gingen een geregistreerd partnerschap aan waarbij de goederengemeenschap slechts bestond uit die tien panden. Eén dag later beëindigden zij hun partnerschap en deelden daarbij de volle eigendom van zes panden toe aan de één en de volle eigendom van de vier andere panden aan de ander. Omdat zowel boedelmenging als verdeling van een daardoor ontstane gemeenschap vrijgesteld zijn van overdrachtsbelasting (art. 3(1)(a) en (b) Wet op belastingen van rechtsverkeer), was geen overdrachtsbelasting verschuldigd, zo was de bedoeling. Maar ook deze truc stuitte af op het verbod van wetsontduiking. En ook personen die zelf niets met de rechtshandelingen te maken hadden, zoals erfgenamen, kunnen in het belastingrecht geconfronteerd worden met de gevolgen van het verbod op wetsontduiking. [74]
fraudem legisheeft gehandeld door haar zonnepark te verdelen in drie opstalrechten in plaats van één opstalrecht te vestigen – dat hangt mijns inziens dus vooral af van het te onderzoeken oogmerk of oogmerken voor het vestigen van drie opstalrechten in plaats van één, nu,
alsaan dat subjectieve vereiste voldaan is, ook aan het objectieve vereiste voldaan lijkt – rijst de vraag naar de gevolgen daarvan. Zoals bleek, bestaat in hoofdlijnen de keus uit
eliminatievan misbruikelijke (rechts)handelingen en
substitutievan misbruikelijke (rechts) handelingen. In dit geval lijkt de meest geëigende weg naar de situatie die zonder misbruik (als u dat aanwezig acht) zou zijn ontstaan de vervanging van de vestiging van drie opstalrechten door de vestiging van één opstalrecht voor de toepassing van de aansluitplicht, maar Liander stelt dat NAEN heeft verklaard dat de kosten van een grootverbruikaansluiting het hele project onrendabel zouden maken, hetgeen zou kunnen impliceren dat het hele project dan niet zou zijn doorgegaan en dus géén opstalrechten zouden zijn gevestigd en géén (nieuwe) aansluiting tot stand zou zijn gebracht. Feitelijk is het project echter wél doorgegaan. Er is al een aansluiting voor object A en het geschil gaat over de door Liander afgewezen aanvraag voor een kleinverbruikaansluiting voor object B, het tweede opstalrecht (die inmiddels toch gehonoreerd lijkt). Het verbod op
fraus legismoet ertoe leiden dat de wet zoveel mogelijk conform de bedoeling van de wetgever op de werkelijke relevante feiten wordt toegepast. Ik meen daarom dat als u misbruik van aansluitrecht en/of art. 16 Wet Pro WOZ constateert, ofwel (i) de aanvraag gehonoreerd wordt/blijft, maar de extra kosten van verplaatsing naar het hogere netvlak of van beveiliging van het lagere netvlak die Liander moet maken om de netintegriteit te waarborgen in rekening worden gebracht aan NAEN, ofwel (ii) de aanvraag wordt/blijft gehonoreerd, maar de kosten van een grootverbruikaansluiting in rekening worden gebracht onder aftrek van het reeds in rekening gebrachte voor de eerste kleinverbruikaansluiting, ofwel (iii) alsnog één grootverbruikaansluiting wordt gemaakt tegen het daarvoor geldende tarief onder aftrek van het aan NAEN reeds in rekening gebrachte.
T Danmark en Y Denmark Aps [77] gaf het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) de volgende samenvattende algemene uiteenzetting over de (nationale) toepassing van het rechtstreeks werkende verbod op misbruik van recht:
anti tax avoidance directive). Die richtlijn verplicht ook tot toepassing van een algemeen verbod op misbruik, dus, in Nederlandse termen, tot toepassing van het verbod op
fraus legisbij de heffing van vennootschapsbelasting. Art. 6 ATAD Pro bepaalt:
fraus legis. De Hoge Raad heeft beide doctrines geïntegreerd in het boven (8.5) geciteerde arrest HR
BNB2012/127 voor gevallen waarin de zaak binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt:
10.Beantwoording van de vragen
vraag 1mijns inziens bevestigend. Wel schept de WOZ-beschikking mijns inziens voor de toepassing van de aansluitplicht van netbeheerders een weerlegbaar bewijsvermoeden van correcte objectafbakening, zodat degene die qua objectafbakening wil afwijken van die beschikking (of van een uitspraak op bezwaar tegen die beschikking) aannemelijk moet maken dat de – door hem te stellen en bij betwisting te bewijzen – relevante feiten en omstandigheden nopen tot een andere objectafbakening dan die waarop de WOZ-beschikking is gebaseerd. Is tegen die beschikking of uitspraak op bezwaar geprocedeerd voor de belastingrechter en heeft die rechter zich uitgesproken over de objectafbakening zoals die in geschil is tussen de netbeheerder en de aansluiteling (dus niet slechts over de
waardebepaling), dan schept die rechterlijke uitspraak over die objectafbakening mijns inziens een onweerlegbaar vermoeden van juiste toepassing van art. 16 Wet Pro WOZ. Heeft de belastingrechter zich slechts uitgelaten over de waardering en niet over de objectafbakening, dan bestaat geen gevaar van tegenstrijdige rechtspraak en schept zijn uitspraak op het punt van de objectafbakening mijns inziens slechts hetzelfde weerlegbare rechtsvermoeden als de WOZ-beschikking en de uitspraak op bezwaar.
vraag 2luidt mijns inziens (i) voor wat betreft de vaststelling van de relevante feiten dat de boven vermelde bewijslastverdeling en het boven vermelde bewijsvermoeden gelden en (ii) dat rechtskundig bij zelfstandige toepassing van art. 16 Wet Pro WOZ door de netbeheerder, de ACM en uw College de in onderdeel 8 uiteengezette vier stappen van objectafbakening moeten worden doorlopen op basis van de daarvoor relevante feiten en omstandigheden die door de partij die van de beschikking wil afwijken gesteld en bewezen moeten worden. Die stappen zijn: (i) welke onroerende zaken in de zin van art. 3:3 BW Pro kunnen worden geïdentificeerd? (ii) In hoeverre is de eigendom c.q. zakelijke gerechtigdheid van deze zaken verdeeld over verschillende personen? (iii) Kunnen deze zaken worden opgesplitst in gedeelten die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt? (iv) Vormen de onroerende zaken of de zelfstandige gedeelten daarvan een samenstel?
fraus legisen het EU-rechtelijke verbod op misbruik van recht.