ECLI:NL:CBB:2024:47
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt weigering TVL-subsidie voor startende horecazaak
De onderneming, een startend horecabedrijf sinds 2019, verzocht om subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor meerdere periodes tussen 2020 en 2022. De minister stelde de subsidie voor enkele periodes op nihil vast of wees aanvragen af, omdat de onderneming niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies volgens de vaste referentieperiodes in de regeling.
De onderneming voerde aan dat de minister geen rekening hield met haar specifieke situatie als startende onderneming, waarbij de omzet in de referentieperiodes niet representatief was door groei en bijzondere omstandigheden zoals overstromingen. Zij stelde dat de minister moest uitgaan van geprognosticeerde omzet of het daadwerkelijke omzetverlies en voor Q1 2022 moest aansluiten bij de feitelijke startdatum in plaats van de inschrijfdatum in het handelsregister.
Het College oordeelde dat de minister binnen zijn bevoegdheid handelde door vast te houden aan de in de TVL-regeling voorgeschreven referentieperiodes en berekeningswijze. De regeling biedt geen ruimte voor afwijkingen of het gebruik van prognoses. Ook is de inschrijfdatum in het handelsregister leidend voor het bepalen van de referentieperiode. De aangevoerde omstandigheden zijn niet zodanig uitzonderlijk dat een uitzondering op de regeling gerechtvaardigd is.
Het College concludeert dat de minister terecht de subsidies voor de betreffende periodes heeft vastgesteld en dat de beroepen ongegrond zijn. Er is geen strijd met het evenredigheids- of zorgvuldigheidsbeginsel. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De beroepen van de onderneming tegen de afwijzing van de TVL-subsidies zijn ongegrond verklaard.