ECLI:NL:CRVB:1998:AA8629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.W. Schuttel
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte anticumulatiebepaling en duurzaamheid van inkomsten zelfstandige bij arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 33 van Pro de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op een gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandige. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) had de uitkering van gedaagde over de periode 1 augustus 1993 tot 31 december 1993 op nihil gesteld vanwege twijfel over de duurzaamheid van de inkomsten uit zelfstandige arbeid.
De rechtbank had dit besluit vernietigd omdat zij oordeelde dat artikel 33 AAW Pro niet van toepassing was indien de arbeid passend en duurzaam kon worden verricht. De Raad stelt echter dat de wetgever met artikel 33 AAW Pro ook situaties beoogt waarin de duurzaamheid van de inkomsten onzeker is, vooral bij zelfstandigen, waarvoor een langere periode van in beginsel drie jaar wordt gehanteerd om de representativiteit van de inkomsten te beoordelen.
De Raad benadrukt de complementaire werking tussen artikel 33 en Pro artikel 5 AAW Pro, waarbij korting mogelijk is als de duurzaamheid van de inkomsten niet vaststaat, en schatting plaatsvindt als wel aan voorwaarden is voldaan. De vernietiging van het besluit door de rechtbank wordt daarom onjuist geoordeeld en het beroep van Lisv wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van Lisv wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot korting op de uitkering wordt in stand gelaten.