ECLI:NL:CRVB:2007:BA2500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verplichte AOW-verzekering en weigering postume vrijwillige verzekering
Appellante verzocht in augustus 2001 om haar overleden echtgenoot met terugwerkende kracht toe te laten tot de vrijwillige verzekering AOW/ANW, nadat diens verplichte verzekering per 1 januari 2000 was beëindigd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af wegens overschrijding van de wettelijke aanmeldingstermijn van één jaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de beëindiging van de verplichte verzekering in strijd was met internationale verdragsbepalingen, waaronder het EVRM en het associatierecht, en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege het ontbreken van mededelingen aan haar echtgenoot. De Raad oordeelde dat het beroep op het associatierecht en internationale verdragsbepalingen niet slaagde, mede omdat het toepasselijke juridische regime afweek van de situatie in relevante jurisprudentie.
De Raad stelde vast dat de Svb terecht had vastgesteld dat de verplichte verzekering was geëindigd en dat de echtgenoot tijdig was geïnformeerd over de beëindiging en de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering. Gezien zijn langdurige ziekte had hij zijn belangen kunnen laten behartigen. De Raad verwierp het beroep op beleidsregels van de Svb en concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om postume toelating tot vrijwillige verzekering toe te staan.
Daarnaast oordeelde de Raad dat er sprake was van een schending van de redelijke termijn in de procedure, veroorzaakt door de rechterlijke behandeling, maar dat eventuele gevolgen daarvan door appellante bij de burgerlijke rechter moeten worden opgeëist. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de verplichte verzekering en wijst het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding af.