ECLI:NL:CRVB:2012:BY3191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding na onrechtmatige WWB-uitkeringsverlaging
Betrokkene, een voormalige asielzoeker uit Afghanistan met inmiddels de Nederlandse nationaliteit, kreeg vanaf 2004 een WWB-uitkering. Na meerdere aanmeldingen bij re-integratietrajecten en onvoldoende medewerking werd zijn uitkering per 1 januari 2008 met 100% verlaagd voor zes maanden. Dit besluit werd later herzien tot drie maanden.
Betrokkene maakte bezwaar en stelde dat de verlaging een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vormde, met een beroep op artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat sprake was van een onrechtmatige inbreuk en kende een immateriële schadevergoeding toe.
De Raad stelde vast dat de verlaging onrechtmatig was, maar oordeelde dat de inbreuk beperkt was en mede aan betrokkene te wijten, onder meer omdat hij niet volledig meewerkte en psychische klachten niet tijdig aan de orde stelde. Daarom wees de Raad het verzoek om immateriële schadevergoeding af en verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De uitspraak bevestigt dat niet elke onrechtmatige uitkeringsverlaging leidt tot vergoeding van immateriële schade, zeker niet bij beperkte duur en eigen schuld van de betrokkene. De Raad benadrukt het belang van zorgvuldige besluitvorming en onderzoek naar psychische gesteldheid.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.