ECLI:NL:CRVB:2012:BY3772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WW- en ZW-uitkering en boete wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving een WW-uitkering en ZW-uitkering, maar het UWV stelde vast dat hij vanaf 1 augustus 2008 werkzaamheden verrichtte in het autobedrijf van zijn neef, zonder dit onverwijld te melden. Hierdoor werd de WW-uitkering herzien en teruggevorderd en werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat appellant wel werkzaamheden verrichtte, maar dat er geen sprake was van een dienstbetrekking. De herziening en terugvordering van de WW-uitkering bleven in stand, maar de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering werden vernietigd wegens onvoldoende motivering.
Daarnaast werd de boete deels gebaseerd op een verklaring die onder druk was verkregen zonder dat appellant was gewezen op zijn zwijgrecht, waardoor deze verklaring buiten beschouwing moest blijven. De boete werd daarom verlaagd tot het minimumbedrag van €52. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard, de intrekking en terugvordering van ZW-uitkering en de boete worden vernietigd en aangepast, de WW-uitkering blijft herzien en teruggevorderd.