ECLI:NL:CRVB:2014:3031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bedrijfskrediet wegens niet-levensvatbaar bedrijf zelfstandige
Appellant, een zelfstandige ondernemer actief sinds 1994, vroeg op 7 september 2010 een bedrijfskrediet van € 26.000,- aan op grond van het Bbz 2004. Het college vroeg advies aan FBA Adviesgroep, die concludeerde dat het bedrijf een negatief eigen vermogen had en niet levensvatbaar was, met een daadwerkelijke kredietbehoefte van € 43.300,-. Het college wees de aanvraag af op 23 december 2010 en verklaarde het bezwaar ongegrond op 15 september 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad overwoog dat de beoordeling van levensvatbaarheid moet plaatsvinden op het moment van het besluit en dat latere positieve ontwikkelingen niet relevant zijn. De Raad bevestigde dat een levensvatbaar bedrijf voldoende inkomen moet genereren om aan aflossingsverplichtingen en kosten te voldoen.
Appellant voerde aan dat de kredietbehoefte lager was en dat het bedrijf wel levensvatbaar was, mede vanwege onjuiste inschatting van privé-uitgaven en het niet meenemen van omzetting van krediet in bijstand om niet. De Raad verwierp deze gronden, stellende dat appellant onvoldoende onderbouwing en deskundig tegenadvies had geleverd. Ook werd het advies van FBA als zorgvuldig beoordeeld. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het bedrijfskrediet wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf.