ECLI:NL:CRVB:2016:4138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij gezamenlijke bewoning zonder commerciële huurrelatie
Appellante ontvangt bijstand en woont met haar meerderjarige zoon in dezelfde woning, een woongedeelte van een bedrijfspand dat wordt verhuurd door een BV waarvan de vader van haar zoon directeur is. Het college heeft de bijstand verlaagd op grond van de kostendelersnorm omdat zij met één kostendeler samenwoont.
Appellante stelde dat haar zoon een commerciële huurovereenkomst had afgesloten met de BV, waardoor de kostendelersnorm niet van toepassing zou zijn volgens artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet. Zij bracht een huurovereenkomst en betalingsbewijzen in, maar het college betwistte dit op basis van aanvraagformulieren en verklaringen van haar zoon dat hij inwonend was zonder huur te betalen.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar zoon een zelfstandige commerciële huuroverhouding had. De huurovereenkomst was kort voor de invoering van de kostendelersnorm opgesteld en de feitelijke woonsituatie was niet gewijzigd. De betalingsbewijzen waren onvoldoende verifieerbaar en de verklaringen van de zoon over zijn woonsituatie waren consistent. Daarom is de kostendelersnorm terecht toegepast en wordt het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De kostendelersnorm is terecht toegepast en het hoger beroep wordt afgewezen.