Uitspraak
15.6043 WWB, 16/1153 WWB
OVERWEGINGEN
BESLISSING
de plaats treedt van het besluit van 31 maart 2015;
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2000 bijstand en beschikt over twee bankrekeningen, waarvan één verzwegen was bij het college. Uit onderzoek bleek dat er vanaf 2009 regelmatig stortingen en bijschrijvingen plaatsvonden, waaronder periodieke betalingen van haar zoon, die niet waren gemeld. Het college herzag de bijstand en vorderde €31.371,26 terug.
Daarnaast legde het college een boete op wegens het niet melden van deze inkomsten. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat de betalingen als inkomen moeten worden aangemerkt en dat de boete vanwege de financiële situatie van appellante gematigd moet worden tot €1.179,34.
De Raad vernietigde het eerdere besluit over de boete en stelde zelf het boetebedrag vast. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak bevestigt de herziening van de bijstand en past de boete aan, met een uitgebreide motivering over de kwalificatie van de betalingen en de evenredigheid van de sanctie.
Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €1.179,34 en het college wordt veroordeeld in de proceskosten en griffierecht.