ECLI:NL:CRVB:2017:2346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college vermoedde dat zij met haar ex-vriend een gezamenlijke huishouding voerde. Na onderzoek, inclusief huisbezoek en verklaringen, concludeerde het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en trok de bijstand terug over de periode 12 augustus 2013 tot en met 19 september 2013. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet melden van deze situatie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en matigde de boete tot 50% van het benadelingsbedrag. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar ex-vriend niet zijn hoofdverblijf bij haar had, dat zij door medicatie gedesoriënteerd was en dat haar financiële situatie een lagere boete rechtvaardigde.
De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de ex-vriend zich wel degelijk in de woning van appellante bevond, waarmee sprake was van een gezamenlijke huishouding. De boete was evenredig en er waren geen verzwarende omstandigheden. De financiële omstandigheden en medische situatie van appellante boden geen grond voor matiging. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en de boete van 50% van het benadelingsbedrag worden bevestigd.