ECLI:NL:CRVB:2017:3332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening draagkracht op verzamelinkomen bij studiefinanciering 2000
Appellante betwistte de berekening van haar draagkracht voor 2016, vastgesteld door de minister op basis van het verzamelinkomen van haar en haar partner over 2014, en stelde dat het vastgestelde maandbedrag van €87,30 onbetaalbaar is vanwege hun bijzondere situatie met cervicale dwarslaesies en hoge extra kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de minister de draagkracht correct had berekend conform de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de wetgever expliciet heeft bepaald dat het begrip toetsingsinkomen niet kan worden aangepast via de hardheidsclausule.
De Raad verwijst naar de wettelijke definities in de Wsf 2000 en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en stelt dat het verzamelinkomen bepalend is voor de draagkracht. De persoonlijke omstandigheden en het besteedbaar inkomen van appellante kunnen niet leiden tot afwijking van deze wettelijke regeling.
Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de draagkracht terecht is vastgesteld op basis van het verzamelinkomen zonder toepassing van de hardheidsclausule.