ECLI:NL:CRVB:2017:627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 voor vreemdeling zonder rechtmatig verblijf
Appellant, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 en dat het college niet gehouden was tot nader onderzoek.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het koppelingsbeginsel van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 van toepassing is op maatschappelijke opvang en dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf niet onder dit artikel vallen, noch op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld zijn. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris vallen.
De Raad benadrukt dat met de voorzieningen die onder het vreemdelingenrecht vallen een toereikende invulling moet worden gegeven aan verdragsrechtelijke verplichtingen, en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteindelijk over de uitvoering hiervan oordeelt. De gevraagde dwangsom wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak heeft op maatschappelijke opvang als maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.