Uitspraak
4 mei 2016, 15/4105 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder verblijfsstatus, verzocht het college van burgemeester en wethouders om een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015. Het college kende een bed-bad-broodvoorziening toe, maar wees verdergaande opvang af. De rechtbank oordeelde dat deze voorziening niet op de Wmo 2015 berust, maar op buitenwettelijk beleid, en dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening volgens artikel 1.2.2 Wmo 2015.
In hoger beroep betoogde appellant dat bijzondere omstandigheden een doorbreking van het koppelingsbeginsel vereisen, zodat opvang via de Wmo 2015 geboden moet worden. De Raad overwoog dat het koppelingsbeginsel van artikel 1.2.2 Wmo 2015 van toepassing is en dat opvang van vreemdelingen zonder verblijfsstatus primair onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris valt, die met opvangvoorzieningen een toereikende invulling geeft aan verdragsrechtelijke verplichtingen.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat opvang in vrijheidsbeperkende locaties door de staatssecretaris als voldoende wordt beschouwd en dat geschillen over rechtmatigheid van dergelijke opvang aan de vreemdelingenrechter en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toekomen.
Gelet op deze overwegingen bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Appellant heeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.