ECLI:NL:CRVB:2019:2292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wijziging en terugvordering WIA-uitkering wegens niet gemelde pgb-inkomsten
Appellante ontving vanaf 23 januari 2014 een loongerelateerde WIA-uitkering. Het UWV ontdekte dat zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 9 augustus 2015 betalingen uit een persoonsgebonden budget (pgb) ontving voor de zorg van haar kleindochter, welke zij niet had gemeld. Hierdoor werd de hoogte van haar WIA-uitkering door het UWV gewijzigd en werd onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd.
Appellante voerde aan dat het om een onkostenvergoeding ging en dat terugvordering vanwege haar deelname aan de schuldsaneringsregeling (WSNP) onaanvaardbare gevolgen zou hebben. Ook stelde zij dat de opgelegde boete van €10 onterecht en te hoog was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad onderschrijft dit oordeel.
De Raad stelt vast dat de pgb-inkomsten als belastbaar loon moeten worden aangemerkt en dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Het UWV heeft terecht de uitkering aangepast en de onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet aangetoond. De boete is passend en evenredig, mede gelet op de financiële draagkracht van appellante. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding wordt geweigerd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de wijziging en terugvordering van de WIA-uitkering en handhaaft de boete van €10 wegens schending van de inlichtingenplicht.