ECLI:NL:CRVB:2019:3805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde pensioeninkomsten en buitenlandse verblijven
Appellante ontving bijstand vanaf 1 juli 2012. Het college stelde vast dat zij in 2014 meerdere periodes in het buitenland verbleef en pensioeninkomsten ontving die niet waren gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 juli 2012 tot 31 maart 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen intrekking en terugvordering deels niet-ontvankelijk en ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen moesten worden aangemerkt, stellende dat het om leningen ging. De Raad oordeelde dat deze bedragen terecht als inkomen zijn aangemerkt, omdat zij vrijelijk konden worden besteed en appellante niet was aangewezen op leningen.
Verder wees de Raad het beroep af dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen. Ook het incidenteel hoger beroep van het college tegen de proceskostenveroordeling slaagde, omdat appellante niet tijdig stukken had overgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het college in de proceskosten werd veroordeeld en bevestigd voor het overige.
Uitkomst: Hoger beroep van appellante wordt afgewezen; proceskostenveroordeling tegen college wordt vernietigd.