ECLI:NL:CRVB:2025:1108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WAO-uitkering 2020 op nul vanwege gelijkmatige inkomensverdeling
Appellant ontving een WAO-uitkering die per 14 juli 2020 werd beëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het UWV stelde de WAO-uitkering over 2020 vast op € 0,-, omdat het inkomen uit zelfstandige arbeid van € 43.798,- het inkomensverlies minder dan 15% maakte.
Appellant voerde aan dat het inkomen alleen over de periode tot 14 juli 2020 meegewogen mocht worden, omdat zijn WAO-uitkering toen eindigde, en dat het inkomen na die datum geen invloed mocht hebben. Hij stelde dat het inkomen in de eerste helft van 2020 vergelijkbaar was met voorgaande jaren, waarover wel uitkering werd toegekend.
De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat het UWV terecht het jaarinkomen gelijkelijk over alle maanden heeft verdeeld. De Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie die dit uitgangspunt ondersteunt. De Raad vond geen reden om af te wijken van de systematiek van gelijke maandelijkse toerekening, ook niet vanwege de ‘harde knip’ bij beëindiging van de uitkering.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vaststelling van de WAO-uitkering op nul bleef staan. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het jaarinkomen gelijkelijk over 2020 mag verdelen, waardoor de WAO-uitkering op nul blijft staan.