De Centrale Raad van Beroep heeft op 24 december 2019 uitspraak gedaan in hoger beroep over de terugvordering en vaststelling van persoonsgebonden budgetten (pgb) op grond van de AWBZ voor het jaar 2014. Het zorgkantoor had de verantwoording van appellanten afgekeurd wegens ontbrekende en onduidelijke stukken, en het pgb lager vastgesteld dan het toegekende bedrag. Daarnaast was het pgb van appellante beëindigd per 1 mei 2015.
De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende inzichtelijk hadden gemaakt hoe de pgb’s waren besteed en dat de enkele verwijzing naar urendeclaraties en bankafschriften niet volstond om aannemelijk te maken dat meer zorg was verleend dan reeds goedgekeurd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gebleken.
De Raad vernietigde twee aangevallen uitspraken van de rechtbank omdat het juiste toetsingskader niet was toegepast en verklaarde het beroep tegen de vaststelling van het pgb ongegrond. Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van het pgb werd gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat de wettelijke grondslag ontbrak. Het besluit van 7 mei 2015 werd herroepen en het eerdere besluit van 12 februari 2015 herleefde.
Verder werd het zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten vanwege de aan het zorgkantoor toe te rekenen onrechtmatigheid. De Raad bepaalde dat het zorgkantoor bij invordering rekening moet houden met de beslagvrije voet.