ECLI:NL:CRVB:2023:736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag militair wegens aannemelijk gebruik van harddrugs
Appellant, militair in de rang van korporaal der eerste klasse, werd ontslagen wegens wangedrag na vermoedelijk gebruik van harddrugs tijdens een eenheidsevenement. Hoewel de officier van justitie de strafrechtelijke vervolging sepotte wegens onvoldoende bewijs voor het aanwezig hebben van drugs, acht de Raad het gebruik van harddrugs aannemelijk en toerekenbaar aan appellant.
De Raad oordeelt dat het sepot niet leidt tot schending van de onschuldpresumptie zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat het bestuursrechtelijk verwijt (gebruik) verschilt van het strafrechtelijk verwijt (aanwezigheid). De verklaringen van betrokkenen en het gedrag van appellant ondersteunen het oordeel dat hij drugs heeft gebruikt.
Appellant voerde aan dat een onderzoek naar zijn psychische gesteldheid had moeten plaatsvinden vanwege een black-out, maar de Raad vond geen medische onderbouwing voor vermindering van toerekenbaarheid. Ook het beroep op disproportionaliteit van het ontslag faalt, mede gelet op het strikte drugsbeleid binnen Defensie.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens aannemelijk gebruik van harddrugs wordt bevestigd.