Appellante werd door het CAK op 12 maart 2018 een boete van €386,49 opgelegd omdat zij niet binnen drie maanden na een aanmaning van 4 december 2017 een zorgverzekering had afgesloten. Hoewel zij pas op 6 juni 2018 een verzekering afsloot en een gering inkomen had, oordeelde de rechtbank Amsterdam dat zij dit niet kon aanvoeren als overmacht of onvermogen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen verwijt treft vanwege haar financiële situatie, dat het CAK niet tijdig op haar bezwaar had beslist, en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat wanbetalers 'gratie' krijgen. De Raad verwierp deze argumenten omdat appellante zorgtoeslag of een uitkering had kunnen aanvragen en het belang van het opleggen van een boete als prikkel tot verzekering tegen ziektekosten zwaarwegend is.
De Raad stelde vast dat de door appellante genoemde 'gratie' alleen geldt voor wanbetalers die wel tijdig een verzekering afsloten, waardoor geen sprake is van gelijke gevallen. Ook overschrijding van de beslistermijn op bezwaar leidt niet tot onbevoegdheid van het CAK. De klacht over de bejegening door het CAK leidde niet tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.