ECLI:NL:CRVB:2022:150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland in 2019
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, kwam in februari 2019 met haar kinderen naar Nederland. Zij vroeg kinderbijslag aan, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde deze omdat zij op de peildata niet als ingezetene werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante nog geen duurzame persoonlijke band met Nederland had vanwege het korte verblijf, het ontbreken van werk en eigen woonruimte.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het ontbreken van werk en woonruimte niet zwaar mee moest wegen, omdat juist mensen in armoede deze zaken vaak missen. Ook stelde zij dat de belangen van haar kinderen onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde echter dat appellante op de peildata nog geen duurzame band had opgebouwd, mede omdat zij pas in juli 2019 een verblijfsdocument ontving en geen duurzame woonruimte of werk had.
De Raad bevestigde dat de Svb zich voldoende rekenschap had gegeven van de belangen van de kinderen, waarbij werd opgemerkt dat kinderbijslag geen laatste financieel vangnet is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een duurzame band met Nederland in 2019.