Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte in een winkel van zijn zoon, zonder dit te melden, waardoor de inlichtingenverplichting werd geschonden. Het college beëindigde de bijstand, trok deze terug en legde een boete op.
Appellanten voerden aan dat de waarnemingen onrechtmatig waren wegens stelselmatige observaties en dat de verklaring van appellant onbruikbaar was omdat geen tolk werd ingezet. De Raad oordeelde dat de waarnemingen niet stelselmatig waren, dat de wettelijke grondslag aanwezig was en dat de verklaring rechtsgeldig was mede doordat de zoon als tolk optrad.
Verder stelde de Raad vast dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat zij alsnog recht op bijstand hadden gehad. De boete werd gematigd van €1.523,64 naar €810,98 op basis van de draagkracht en de verhoogde beslagvrije voet. De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van appellant voor het boetegedeelte.