ECLI:NL:CRVB:2023:1918
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap in eerste drie kwartalen 2020
Appellante, met de Nederlandse nationaliteit, was in oktober 2019 vanuit Curaçao naar Nederland gekomen en had kinderbijslag aangevraagd voor haar kinderen vanaf het eerste kwartaal van 2020. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvragen voor de eerste drie kwartalen af omdat appellante op de peildata geen ingezetene van Nederland was. De rechtbank oordeelde dat appellante vanaf het vierde kwartaal 2020 wel als ingezetene kon worden aangemerkt, maar niet eerder.
In hoger beroep stelde appellante dat zij vanaf haar aankomst in Nederland ingezetene was, onder meer omdat haar kinderen naar school gingen, zij een zorgverzekering had en zij werkte vanaf juli 2020. De Svb handhaafde het standpunt dat zij geen recht had op kinderbijslag voor de eerste drie kwartalen 2020 omdat zij toen nog geen duurzame band met Nederland had.
De Raad volgde de rechtbank en stelde vast dat appellante op de peildata geen duurzame woonruimte tot haar beschikking had, nog geen werk had en slechts kort in Nederland verbleef. De overige omstandigheden vormden geen duurzame persoonlijke band met Nederland. Vanwege het dwingendrechtelijke karakter van de AKW was er geen ruimte voor een belangenafweging of toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van kinderbijslag voor de eerste drie kwartalen 2020 bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag over het eerste tot en met het derde kwartaal van 2020 wegens ontbreken van ingezetenschap.