ECLI:NL:CRVB:2023:1970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens ontbreken hoofdverblijf en passende voorliggende voorziening
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor tandartskosten met facturen van mei en juni 2021 en een offerte van juli 2021. Het college wees de aanvraag af omdat de facturen van mei en juni al betaald waren en de Zorgverzekeringswet (Zvw) een toereikende en passende voorliggende voorziening vormt voor tandheelkundige zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellant stelde dat ook kosten die al betaald zijn in aanmerking moeten komen en dat de Zvw in zijn situatie niet toereikend is. Tevens voerde hij aan dat er zeer dringende redenen waren voor bijstand vanwege acute tandheelkundige problemen.
De Raad oordeelde dat de vaste rechtspraak geen uitzondering maakt voor reeds betaalde facturen en dat de Zvw in abstracte zin een passende voorliggende voorziening is, ook als appellant geen aanvullende verzekering heeft. De stelling van appellant over zeer dringende redenen werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat hij geen aanvullend bewijs leverde. De afwijzing van bijzondere bijstand blijft daarom in stand.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor tandartskosten wordt bevestigd wegens ontbreken hoofdverblijf en passende voorliggende voorziening.