ECLI:NL:CRVB:2023:2016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand ondanks leningargument
Appellant ontvangt sinds 2016 bijstand en werd geconfronteerd met een herziening en terugvordering van bijstand over de periode van januari 2020 tot juli 2021 vanwege niet gemelde bijschrijvingen op zijn bankrekening. Het college stelde dat deze bijschrijvingen als inkomen moeten worden beschouwd en in mindering gebracht op de bijstand. Appellant voerde aan dat het om leningen van een vriend ging die terugbetaald moesten worden, en dat deze daarom niet als inkomen mochten worden meegeteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat bedragen die door derden worden overgemaakt aan een bijstandontvanger in beginsel als middelen worden aangemerkt volgens artikel 31 van Pro de Participatiewet, ongeacht de vorm van de betaling. Leningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip en het feit dat de schuldenlast toeneemt, doet niet af aan het feit dat het geld als inkomen wordt beschouwd.
De Raad benadrukte dat de uitzondering voor personen die geen bijstand ontvangen of wier bijstand is opgeschort hier niet van toepassing is. Daarom is het college terecht uitgegaan van de bijschrijvingen als inkomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de bijstand blijven in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de bijstand blijven in stand.